Burgerlijk procesrecht
Procesrecht. Geschil tussen buren over eigendom brug. Uitleg gedingstukken.
Hoge Raad, 8 oktober 2021
ECLI:NL:HR:2021:1454 · Hoge Raad · 8 oktober 2021
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/civiel-recht/burgerlijk-procesrecht/cassatie/ecli-nl-hr-2021-1454
Zaakgegevens
Op 8 oktober 2021 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over burgerlijk procesrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 8 oktober 2021
- Datum publicatie
- 7 oktober 2021
- Zaaknummer
- 20/01362
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Burgerlijk procesrecht
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- Advocaat
- H.J.W Alt, J.H.M. van Swaaij
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2021:1454
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Procesrecht. Geschil tussen buren over eigendom brug. Uitleg gedingstukken.
Procesgang
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 14 januari 2020
ECLI:NL:GHARL:2020:289Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 26 februari 2021
ECLI:NL:PHR:2021:184Hoge Raad · 8 oktober 2021deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2021:1454
(Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzenVernietigingDe hogere rechter zet de eerdere uitspraak (deels) opzij en beslist zelf, of laat een andere rechter de zaak opnieuw doen.Meer uitleg · Conclusie gevolgdGevolgd of contrair‘Gevolgd’: de Hoge Raad besliste zoals de advocaat-generaal adviseerde. ‘Contrair’: hij besliste anders.Meer uitleg
Uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 20/01362
Datum 8 oktober 2021
ARREST
In de zaak van
[eiseres] ,
wonende te [woonplaats] ,
EISERES tot cassatie,
hierna: [eiseres] ,
advocaat: H.J.W. Alt,
tegen
[verweerder] ,
wonende te [woonplaats] ,
VERWEERDER in cassatie,
hierna: [verweerder] ,
advocaat: J.H.M. van Swaaij.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
-
de vonnissen in de zaak C/16/226604 / HA ZA 07-374 van de rechtbank Utrecht van 16 mei 2007, 19 maart 2008, 25 augustus 2010, 15 februari 2012, 23 mei 2012, 8 augustus 2012 en 31 oktober 2012, en van de rechtbank Midden-Nederland van 19 juni 2013, 2 april 2014 en 17 december 2014;
-
het arrest in de zaak 200.177.008 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 14 januari 2020.
[eiseres] heeft tegen het arrest van het hof beroep in cassatie ingesteld.
[verweerder] heeft een verweerschrift tot verwerping ingediend.
De zaak is voor [verweerder] toegelicht door zijn advocaat.
De conclusie van de Advocaat-Generaal E.B. Rank-Berenschot strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot verwijzing.
De advocaten van partijen hebben schriftelijk op die conclusie gereageerd.
2 Uitgangspunten en feiten
In cassatie kan, voor zover in cassatie van belang, van het volgende worden uitgegaan.
(i) [eiseres] is eigenares van een perceel met het kadastrale nummer K1168. Zij is tevens eigenares van het nabijgelegen perceel K1144.
(ii) [verweerder] is eigenaar van het perceel K1169 (dat grenst aan perceel K1168 van [eiseres] ). Hij is tevens eigenaar van het nabijgelegen perceel K1139.
(iii) Tussen perceel K1168 van [eiseres] en perceel K1139 van [verweerder] ligt een sloot. Deze percelen waren met elkaar verbonden door een brug, die partijen aanduiden als de ‘westelijke brug’ (hierna: de brug). [verweerder] heeft deze brug na een in deze procedure gewezen tussenvonnis gedeeltelijk gesloopt.
In dit geding heeft [eiseres] een reeks vorderingen tegen [verweerder] ingesteld. In cassatie zijn uitsluitend nog de vorderingen V en XI aan de orde. Vordering V strekt primair tot verklaring voor recht dat [eiseres] eigenares is van de brug, en subsidiair tot toedeling van de volledige eigendom van de brug aan haar. Vordering XI strekt ertoe [verweerder] te veroordelen tot herstel van de brug en hem te verbieden de brug opnieuw te verwijderen of beschadigen, zolang niet bij in kracht van gewijsde gegane uitspraak is beslist over de eigendom of gebruiksrechten ten aanzien van de brug. [eiseres] heeft aan deze vorderingen onder meer ten grondslag gelegd dat zij aan een erfdienstbaarheid met nr. 378 het recht ontleent de brug te gebruiken om zich te bewegen tussen perceel K1168 en perceel K1144.
De rechtbank heeft de vorderingen afgewezen.
Het hof heeft de vonnissen van de rechtbank bekrachtigd. Na te hebben geoordeeld dat [eiseres] niet op grond van erfdienstbaarheid nr. 378 gerechtigd is de brug te gebruiken, heeft het hof over de eigendom van de brug, voor zover in cassatie van belang, als volgt overwogen:
“5.8 (…) Gegeven het oordeel van het hof, dat erfdienstbaarheid nr. 378 [eiseres] geen recht verschaft om van haar perceel K1144 over de ‘westelijke brug’ te komen en te gaan naar haar perceel K1168, is de grondslag komen te ontvallen aan het betoog van [eiseres] dat zij de eigendom van de gehele ‘westelijke brug’ heeft verkregen. (…) Als er al sprake van is dat de ‘westelijke brug’ bestanddeel is van de aangrenzende percelen dan geldt dat de brug voor de (onverdeelde) helft bestanddeel is van beide aangrenzende percelen K1168 en K1139. Ook in het geval de eigendom van de ‘westelijke brug’ is verkregen door natrekking geldt dat de eigenaren van de beide aangrenzende percelen K1168 en K1139 ieder voor de (onverdeelde) helft eigenaar van die brug zijn geworden. Het hof ziet in de door [eiseres] gestelde landschappelijke waarde en het uitzicht over de omgeving door de verhoogde ligging van de brug, onvoldoende aanleiding om, zoals gevraagd, de ‘westelijke brug’ aldus te verdelen dat deze geheel in eigendom aan [eiseres] toekomt. De onder V gevorderde verklaring voor recht dat de ‘westelijke brug’ eigendom van [eiseres] is kan niet worden toegewezen en grief 1 faalt daarom.
In hoger beroep heeft [eiseres] aan haar vordering onder XI, strekkende tot herstel en
instandhouding van de ‘westelijke brug’ uitsluitend de door haar gestelde uitleg van
erfdienstbaarheid nr. 378 ten grondslag gelegd. Nu het hof over de uitleg daarvan anders
heeft geoordeeld ontvalt de grondslag aan haar vordering onder XI en faalt grief 2 eveneens.”
3 Beoordeling van het middel
Onderdeel 2.1 van het middel klaagt onder meer over het oordeel van het hof in rov. 5.9 dat [eiseres] aan de vordering tot herstel en instandhouding van de brug uitsluitend de door haar gestelde uitleg van erfdienstbaarheid nr. 378 ten grondslag heeft gelegd. Het onderdeel acht deze uitleg van de grieven, mede in het licht van het verdere debat tussen partijen, onbegrijpelijk.
In eerste aanleg heeft [eiseres] onder meer aangevoerd dat sprake is van gedeelde eigendom van de brug en dat [verweerder] (ook) op grond daarvan de brug niet zonder haar toestemming had mogen verwijderen. Verder heeft [eiseres] aangevoerd dat zij, ook bij afwijzing van de vordering tot toedeling van de eigendom van de brug aan haar (vordering V subsidiair), een rechtens te respecteren belang heeft bij herstel van de brug (vordering XI), enerzijds omdat het onklaar maken van de brug een inbreuk op de gemeenschappelijke eigendom oplevert en anderzijds in verband met de uitoefening van erfdienstbaarheid nr. 378.
De rechtbank heeft de gestelde gemeenschappelijke eigendom van de brug niet aannemelijk geacht (rov. 4.4 eindvonnis).
Het hoger beroep van [eiseres] richt zich onder meer tegen de verwerping van haar betoog dat de brug aan haar en [verweerder] in gemeenschappelijke eigendom toebehoort. Daarbij kunnen de grieven, in onderlinge samenhang gelezen, niet anders worden begrepen dan dat [eiseres] de gestelde gemeenschappelijke eigendom, net als in eerste aanleg, ook ten grondslag heeft gelegd aan haar vordering (XI) tot herstel en instandhouding van de brug (zie de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 1.17-1.20 en 2.14). Uit het verdere debat van partijen en hetgeen blijkens het proces-verbaal ter zitting bij het hof is besproken, kan niet worden afgeleid dat [eiseres] die grondslag heeft prijsgegeven; het tegendeel is het geval (zie de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 1.23-1.26). De klacht is dan ook gegrond.
De overige klachten van het middel kunnen niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).
4 Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 14 januari 2020;
- verwijst het geding naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing;
- veroordeelt [verweerder] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiseres] begroot op € 528,16 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien [verweerder] deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren T.H. Tanja-van den Broek, als voorzitter, H.M. Wattendorff en S.J. Schaafsma, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer H.M. Wattendorff op 8 oktober 2021.