Burgerlijk procesrecht
Procesrecht. Rechterswisseling tussen mondelinge behandeling en voortgezette mondelinge behandeling…
Hoge Raad, 2 juni 2023
ECLI:NL:HR:2023:826 · Hoge Raad · 2 juni 2023
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/civiel-recht/burgerlijk-procesrecht/cassatie/ecli-nl-hr-2023-826
Zaakgegevens
Op 2 juni 2023 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over burgerlijk procesrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 2 juni 2023
- Datum publicatie
- 1 juni 2023
- Zaaknummer
- 22/03870
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Burgerlijk procesrecht
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- Advocaat
- N.C. van Steijn
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2023:826
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Procesrecht. Rechterswisseling tussen mondelinge behandeling en voortgezette mondelinge behandeling. Schending onmiddellijkheidsbeginsel?
Procesgang
Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 28 juli 2022
ECLI:NL:GHSHE:2022:2662Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 31 maart 2023
ECLI:NL:PHR:2023:395Hoge Raad · 2 juni 2023deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2023:826
(Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzenVernietigingDe hogere rechter zet de eerdere uitspraak (deels) opzij en beslist zelf, of laat een andere rechter de zaak opnieuw doen.Meer uitleg · Conclusie gevolgdGevolgd of contrair‘Gevolgd’: de Hoge Raad besliste zoals de advocaat-generaal adviseerde. ‘Contrair’: hij besliste anders.Meer uitleg
Uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 22/03870
Datum 2 juni 2023
BESCHIKKING
In de zaak van
[de moeder],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKSTER tot cassatie,
hierna: de moeder,
advocaat: N.C. van Steijn,
tegen
1. RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING, REGIO ZUIDWEST NEDERLAND, gevestigd te Middelburg,
VERWEERDER in cassatie,
hierna: de Raad,
niet verschenen,
Belanghebbenden:
2. [de vader],
wonende te [woonplaats],
hierna: de vader,
3. LEGER DES HEILS JEUGDBESCHERMING EN RECLASSERING,
gevestigd te Eindhoven,
hierna: de GI.
1 Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. de beschikking in de zaak C/02/387010/FA RK 21-3011 van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 7 januari 2022;
b. de beschikking in de zaken 200.305.450/01 en 200.305.450/02 van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 28 juli 2022.
De moeder heeft tegen de beschikking van het hof beroep in cassatie ingesteld.
De Raad heeft geen verweerschrift ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal E.M. Wesseling-van Gent strekt tot vernietiging en verwijzing.
2 Uitgangspunten en feiten
In deze procedure heeft de Raad verzocht het gezag van de moeder over haar minderjarige kinderen te beëindigen.
De rechtbank heeft het verzoek van de Raad toegewezen.
In hoger beroep heeft op 8 maart 2022 een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Van de mondelinge behandeling is proces-verbaal opgemaakt. Hierin zijn als behandelend raadsheren A.J.F. Manders, C.D.M. Lamers en M.J.C. van Leeuwen vermeld.
Tijdens de mondelinge behandeling op 8 maart 2022 heeft de moeder een verzoek tot wraking van de drie raadsheren gedaan, waarna de voorzitter de mondelinge behandeling heeft opgeschort. De wrakingskamer van het hof heeft op 20 april 2022 het wrakingsverzoek van de moeder afgewezen.
De mondelinge behandeling is voortgezet op 21 juni 2022. In het proces-verbaal dat van de voortgezette mondelinge behandeling is opgemaakt zijn als behandelend raadsheren A.J.F. Manders, C.D.M. Lamers en H.J.M. van Arkel-van Gasselt vermeld.
Bij beschikking van 28 juli 2022 heeft het hof, voor zover in cassatie van belang, de beschikking van de rechtbank bekrachtigd. De beschikking is gewezen door de hiervoor in 2.5 genoemde raadsheren.
3 Beoordeling van het middel
De onderdelen 1 en 2 van het middel klagen dat het hof het onmiddellijkheidsbeginsel, en daarmee art. 6 EVRM, heeft geschonden nu de combinatie van raadsheren tijdens de mondelinge behandeling op 8 maart 2022 een andere is geweest dan de combinatie van raadsheren die de beschikking van het hof heeft gewezen, en deze rechterswisseling niet van tevoren onder opgave van redenen voor de vervanging aan de moeder kenbaar is gemaakt. In dat verband voeren de onderdelen aan dat de zaak tijdens de mondelinge behandeling op 8 maart 2022 inhoudelijk is behandeld en dat uit het proces-verbaal van de (voortgezette) mondelinge behandeling op 21 juni 2022 niet blijkt dat de mondelinge behandeling toen opnieuw is aangevangen.
Ingevolge vaste rechtspraak van de Hoge Raad dient, indien op enig moment na de mondelinge behandeling vervanging noodzakelijk blijkt van een of meer rechters ten overstaan van wie de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden, het gerecht dit voorafgaand aan de eerstvolgende uitspraak mee te delen aan partijen (waaronder in verzoekschriftprocedures begrepen de belanghebbenden), onder opgave van de reden(en) voor de vervanging en de beoogde uitspraakdatum. Elk van de bij de mondelinge behandeling verschenen partijen mag vervolgens verzoeken om een nadere mondelinge behandeling ten overstaan van de rechter(s) door wie de uitspraak zal worden gewezen.
Uit de stukken van het geding en de door de Advocaat-Generaal ambtshalve ingewonnen inlichtingen blijkt het volgende.
Tijdens de mondelinge behandeling op 8 maart 2022 is de zaak inhoudelijk behandeld, waarbij de advocaat van de moeder het standpunt van de moeder mondeling heeft toegelicht en spreekaantekeningen heeft overgelegd. De voorzitter heeft op 8 maart 2022 de mondelinge behandeling opgeschort nadat de moeder de drie raadsheren had gewraakt. Op 21 juni 2022 is de mondelinge behandeling voortgezet, waarbij een van de raadsheren die aan de mondelinge behandeling van 8 maart 2022 had deelgenomen was vervangen door een andere raadsheer. Tijdens de voortgezette mondelinge behandeling op 21 juni 2022 heeft de advocaat van de moeder niet opnieuw het standpunt van de moeder mondeling uiteengezet en evenmin spreekaantekeningen overgelegd. De in cassatie bestreden beschikking is gewezen door de drie raadsheren die aan de voortgezette mondelinge behandeling van 21 juni 2022 hadden deelgenomen.
Uit deze gang van zaken blijkt dat de beschikking van het hof mede is gewezen op de grondslag van de mondelinge behandeling van 8 maart 2022, terwijl na deze mondelinge behandeling een rechterswisseling heeft plaatsgevonden. Het hof heeft echter niet de hiervoor in 3.1.2 bedoelde mededeling ter zake van deze rechterswisseling gedaan. De onderdelen 1 en 2 zijn dus gegrond.
De overige klachten van het middel kunnen niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).
4 Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de beschikking van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 28 juli 2022;
- verwijst het geding naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden ter verdere behandeling en beslissing.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren C.E. du Perron, als voorzitter, H.M. Wattendorff en K. Teuben, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.J.P. Lock op 2 juni 2023.