Civiel recht overig

Ambtsmisdrijven; art. 119 Gw, art. 76 RO, art. 483 leden 1 en 2 Sv. Kennelijk niet-ontvankelijk beklag over…

Hoge Raad, 27 maart 2015

Zaakgegevens

Op 27 maart 2015 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
27 maart 2015
Datum publicatie
27 maart 2015
Zaaknummer
15/00331
Procedure
Beschikking
ECLI
ECLI:NL:HR:2015:767
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Ambtsmisdrijven; art. 119 Gw, art. 76 RO, art. 483 leden 1 en 2 Sv. Kennelijk niet-ontvankelijk beklag over niet vervolgen (voormalig) minister. Hoge Raad niet bevoegd om vervolging te bevelen.

Procesgang

  1. Conclusie A-G · 6 februari 2015

    ECLI:NL:PHR:2015:344
  2. Hoge Raad · 27 maart 2015deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2015:767

    Conclusie gevolgd

Uitspraak

27 maart 2015

Eerste Kamer

15/00331

RM/TT

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

in de zaak van:

VERENIGING VETERANS MC NETHERLANDS,
gevestigd te Helmond,

KLAAGSTER.


1 Het beklag

Namens klaagster is op 1 mei 2014 aangifte gedaan van smaad en laster, beweerdelijk jegens haar begaan door de toenmalige minister van Veiligheid en Justitie. Bij brief van 18 juni 2014 heeft de hoofdofficier van justitie aan klaagster laten weten ter zake van deze aangifte geen strafvervolging te zullen instellen.

Klaagster heeft bij brief van 14 juli 2014 hierover beklag gedaan bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.
Het hof heeft zich onbevoegd verklaard en de zaak verwezen naar de Hoge Raad.

De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.

Het klaagschrift is eveneens aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

Het schriftelijk verslag van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het beklag.

Klaagster heeft bij brief op dat verslag gereageerd.

2 Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beklag

2.1

Ingevolge art. 119 Grondwet en art. 76 RO staan (gewezen) ministers, staatssecretarissen en leden van de Staten-Generaal wegens ambtsmisdrijven in die betrekkingen gepleegd, in eerste en hoogste ressort terecht voor de Hoge Raad. De opdracht tot vervolging ter zake van die misdrijven kan slechts worden gegeven bij Koninklijk Besluit of bij een besluit van de Tweede Kamer (art. 119 Grondwet; art. 4 Wet van 22 april 1855, Stb. 33, houdende regeling der verantwoordelijkheid van de hoofden der Ministeriële Departementen; art. 483 leden 1 en 2 Sv) (vgl. HR 3 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BO0198, NJ 2011/122).

Nu hieruit volgt dat de Hoge Raad niet bevoegd is opdracht te geven tot vervolging van een door een gewezen minister van Veiligheid en Justitie gepleegd ambtsmisdrijf als door klaagster bedoeld, is het beklag kennelijk niet-ontvankelijk.

2.2

Het voorgaande brengt mee dat oproeping van klaagster achterwege kan blijven (vgl. art. 12c Sv).

3 Beslissing

De Hoge Raad verklaart klaagster niet-ontvankelijk in haar beklag.

Deze beschikking is gegeven door de raads-heren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, A.H.T. Heisterkamp en C.E. Drion, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 27 maart 2015.