Civiel recht overig

Surséance; niet oproepen van bewindvoerder. Maatschap. Ieder der 3 vennooten zal 1/3 in het verlies dragen…

Hoge Raad, 5 januari 1939

Zaakgegevens

Op 5 januari 1939 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.

Instantie
Hoge Raad
Zittingsplaats
Den Haag
Datum uitspraak
5 januari 1939
Datum publicatie
13 juli 2018
Zaaknummer
7385
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:1939:80
E-mail

Samenvatting

Surséance; niet oproepen van bewindvoerder. Maatschap. Ieder der 3 vennooten zal 1/3 in het verlies dragen. Onderlinge afrekening tusschen de vennooten na vereffening der maatschap.

Procesgang

  1. Hoge Raad · 5 januari 1939deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:1939:80

  2. Conclusie A-G · 5 januari 1939

    ECLI:NL:PHR:1939:2

Uitspraak

Openbare terechtzitting van Donderdag, 5 Januari 1939.

De zitting is geopend te elf uur.

De deurwaarder roept de volgende zaken uit:

DE HOOGE RAAD. NEDERLANDEN, in de zaak (No.7385) van:

[eischer] , in zijne hoedanigheid van eenig liquidateur van de burgerlijke maatschap Vischexport , wonende te [woonplaats], eischer tot cassatie van de arresten op 27 Mei 1935 en 16 December 1937 door het Gerechtshof te 's-Gravenhage tusschen partijen gewezen, vertegenwoordigd door Mr. D. J. Veegens, advocaat bij den Hoogen Raad;

tegen :

[verweerder 1] , wonende te [woonplaats], verweerder in cassatie, vertegenwoordigd door Mr. M. B. Vos,

en tegen

de naamlooze vennootschap [verweerster 2], gevestigd te [vestigingsplaats], en [verweerder 3]. wonende te [woonplaats], beiden niet vertegenwoordigd;

De vertegenwoordigde partijen gehoord;

Gehoord de conclusie van den Advocaat-Generaal Wijnveldt namens den Procureur-Generaal, strekkende tot verwerping van het beroep en veroordeeling van eischer in de kosten der procedure;

Gezien de stukken;

Overwegende dat uit het bestreden arrest, voorzoover van belang in cassatie, blijkt:

dat in Augustus 1919 eene overeenkomst van burgerlijke maatschap, genaamd Vischexport, is gesloten tusschen eischer, [eischer] , verweerder, [verweerder 1] , en de genoemde naamlooze vennootschap [verweerster 2] en van der Gugten te zamen als handelende onder de firma Groetenexport;

dat tusschen de drie leden, waaruit de maatschap bestond - [eischer] , [verweerder 1] en Groentenexport - is overeengekomen, dat elk 1/3 in een mogelijk verlies saldo zal dragen;

dat de maatschap Vischexport op 15 December 1919 is ontbonden, waarbij de eischer, [eischer] , tot liquidateur is benoemd;

dat [verweerder 1] [eischer] heeft gedagvaard om aan hem, [verweerder 1] , en aan de mede door deze gedagvaarde, niet in cassatie vertegenwoordigde, partijen rekening en verantwoording af te leggen;

dat deze rekening en verantwoording is afgelegd; dat daarbij bleek, dat na betaling der schulden, in de maatschap slechts aanwezig is f.48.736.15, doch bovendien, dat [verweerder 1] aan de maatschap heeft voorgeschoten f. 344.062.52 en [eischer] f. 190. 247.43;

dat Parleviet en [eischer] bij de Rechtbank hebben getwist over de wijze, waarop de gemelde bedragen moeten worden verrekend;

dat [eischer] heeft beweerd, dat, waar het passief der maatschap bedraagt f.344.062.52 + f.190.247.43 = f.534.309.95 te verminderen met f.48.736.15 = f.485.573.80, en dat hij in dit verliessaldo 1/3 of f.161.864.60 (eigenlijk f.161.857.93) moet bijdragen, hij deze schild in compensatie mag brengen met zijn vordering op de maatschap ad f.190.247.43 en dus niets meer heeft te betalen;

dat echter de Rechtbank op voetspoor van [verweerder 1] heeft aangenomen, dat deze van [eischer] heeft te vorderen 1/3 van f.344.062.52 = f.114.687.51 en [eischer] van [verweerder 1] 1/3 van f. 190.247.43 = f. 63.415.81, zoodat [eischer] aan [verweerder 1] schuldig is het verschil tusschen f. 114.687.51 en f.63.415.81 of f. 51.271.70, ongeacht de bovengemelde 1.48. 736.15 waarvan naar de Rechtbank aan [eischer] en [verweerder 1] elk de helft toekomt;

dat het Hof zich met deze wijze van verrekening bij eerstgemeld arrest heeft vereenigd, daarbij nog een getuigenbewijs opleggend ten aanzien van een in cassatie niet ter zake doend punt, om vervolgens bij het tweede arrest het vonnis, althans met betrekking tot de bovengemelde wijze van verrekening tusschen [eischer] en [verweerder 1] , te bevestigen;

Overwegende dat [eischer] tegen deze beslissing het volgende middel van cassatie inbrengt:

Schending of verkeerde toepassing van de artikelen 1129, 1130, 1131, 1328, 1329, 1374, 1375, 1417, 1461, 1462, 1463, 1465, 1472, 1473, 1655, 1656, 1662, 1663, 1664, 1669, 1670, 1676, 1679, 1680, 1681, 1682, 1683 en 1689 van het Burgerlijk Wetboek, 1,14,15,16 (alle oud), 18,19,32,33,57 (oud) en 58 (oud) van het Wetboek van Koophandel - zijnde onder de met "oud" aangeduide bepalingen te verstaan die artikelen, zooals zij luidden vóór de inwerkingtreding van de wet van 2 Juli 1934, 8. 347 en 48 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering,

doordat het Hof zich met de wijze van verrekening tusschen [eischer] en [verweerder 1] , zooals deze door de Rechtbank is gevolgd, vereenigd heeft, zulks ten onrechte,

omdat tusschen de leden eener beëindigde maatschap of vennootschap uit geenerlei hoofde eenige verdere onderlinge verbintenissen bestaan dan uit de verhouding van ieder hunner tot de maatschap of vennootschap voortvloeien, met name niet een verplichting om op te komen voor de gevolgen van het onvermogen van medevennooten, en, indien een vennoot eenerzijds van de maatschap of vennootschap een zeker bedrag wegens geleverde goederen, voorgeschoten gelden en bewezen diensten te vorderen heeft en anderzijds aan haar een zeker bedrag wegens zijn aandeel in het verliessaldo bij liquidatie schuldig is, tusschen die wederzijdsche schuldvorderingen (waarvan de laatstgenoemde bestaat onafhankelijk van een werkelijke of veronderstelde voldoening van de schulden uit de maatschapskas) vergelijking, althans vermenging, plaats vindt, zoodat, indien - gelijk in casu ten aanzien van eischer het geval is - de eerstgenoemde vordering de laatstgenoemde schuld overtreft, op den betrokken vennoot geen enkele verplichting jegens een medevennoot, die in hetzelfde geval verkeert, meer rust;

Overwegende dat [verweerder 1] de niet ontvankelijkheid van het beroep in cassatie heeft voorgesteld, omdat hem definitieve surseance van betaling is verleend met benoeming van Mr. M. B. Vos, advocaat te Leiden, tot bewindvoerder en de dagvaarding werd uitgebracht uitsluitend aan hem, [verweerder 1] , terwijl is nagelaten tevens den bewindvoerder op te roepen tot het verleenen van diens medewerking tot het optreden in rechten van [verweerder 1] ;

dat echter, al is de bewindvoerder niet mede opgeroepen, zulks de niet-ontvankelijkheid van de cassatie niet ten gevolg kan hebben, nu in de conclusie van antwoord, welke door Mr. Vos, zij het als advocaat van [verweerder 1] , is geteekend, wordt verklaard, dat [verweerder 1] door diens bewindvoerder gemachtigd is verweer in rechte te voeren, zoodat aan het voorschrift van artikel 231 lid 3 Faillissementswet is voldaan;

Overwegende omtrent het middel:

dat reeds de eerste stelling, welke in het middel voorkomt, namelijk dat tusschen de leden eener beeindigde maatschap of vennootschap uit geenerlei hoofde eenige verdere onderlinge verbintenissen bestaan dan uit de verhouding van ieder hunner tot de maatschap of vennootschap voortvloeien, onjuist is;

dat toch die stelling, waarop de door [eischer] voorgestane wijze van verrekening gegrond is, het ten onrechte doet voorkomen, alsof nadat de zaken der geeindigde maatschap - van eene vennootschap is in deze geen sprake- met derden vereffend zijn, de leden der maatschap voor de hun alsnog toekomende gelden, tot welker betaling het saldo der vereffening onvoldoende is, slechts eene vordering hebben op de maatschap zelve;

dat daarbij immers geen, althans onvoldoende, rekening wordt gehouden met de overeenkomst, welke tusschen de leden der maatschap ten aanzien van hunne onderlinge verhouding is gesloten; dat het die overeenkomst is, welke beslist over de vraag hoe de verrekening tusschen de vennooten onderling van hetgeen zij alsnog te vorderen hebben, moet geschieden;

dat indien, zooals hier, de drie leden eener maatschap zijn overeengekomen, dat elk hunner 1/3 in het verlies zal dragen, terwijl het saldo, dat na de betaling der schulden in de kas der vennootschap aanwezig is, niet voldoende is om hetgeen een of meer der vennooten alsnog hebben te vorderen, te voldoen, ieder der vennooten op elk zijner medevennooten eene vordering heeft van 1/3 van hetgeen hij te kort komt, zooals terecht door het Hof is aangenomen;

dat het middel in de tweede plaats de stelling behelst, dat tusschen de leden eener beeindigde maatschap niet de verplichting bestaat om op te komen voor de gevolgen van het onvermogen der medevennooten;

dat echter bij de door het Hof gevolgde wijze van verrekening [eischer] slechts voor 1/3 en niet voor de helft van het aan [verweerder 1] verschuldigde moet opkomen, zoodat de stelling buiten het zich hier voordoende geval omgaat;

dat, zooals bij pleidooi is toegegeven, bij ongegrondverklaring van de boven besproken stellingen van het middel, hetgeen verder in het middel is aangevoerd buiten bespreking kan blijven;

Verklaart het beroep in cassatie ontvankelijk, maar verwerpt het;

Veroordeelt eischer in de kosten van het geding in cassatie, tot de uitspraak van dit arrest aan zijde van

verweerder [verweerder 1] begroot op vijftien gulden aan verschotten en op vierhonderd gulden voor salaris, en aan zijde van de niet vertegenwoordigde verweerders op nihil.

Gedaan bij de Heeren Jhr. Feith, President, van Gelein Vitringa, Kirberger, Nypels en Meckmann, Raden, en door den oudsten Raadsheer van Gelein Vitringa uitgesproken ter openbare terechtzitting van den Vijfden Januari 1900 Negen en Dertig, in bijzijn van den Advocaat-Generaal Wijnveldt.