Civiel recht overig

Procesrecht. Art. 14 lid 1 in verbinding met art. 28 lid 3 Huurprijzenwet woonruimte (oud)…

Hoge Raad, 20 oktober 1989

Zaakgegevens

Op 20 oktober 1989 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.

Instantie
Hoge Raad
Zittingsplaats
Den Haag
Datum uitspraak
20 oktober 1989
Datum publicatie
4 april 2013
Zaaknummer
7464 rek.nr
Procedure
Cassatie
Advocaat
Mr. H.C Grootveld, Mr. C.J.J.C. van Nispen
ECLI
ECLI:NL:HR:1989:AD0912
E-mail

Samenvatting

Procesrecht. Art. 14 lid 1 in verbinding met art. 28 lid 3 Huurprijzenwet woonruimte (oud). Niet-ontvankelijkheidsverklaring door rechtbank van hoger beroep tegen beslissing van kantonrechter krachtens art. 14 Huurprijzenwet woonruimte (oud). Cassatieberoep ontvankelijk?

Procesgang

  1. Conclusie A-G · 30 juni 1989

    ECLI:NL:PHR:1989:AD0912
  2. Hoge Raad · 20 oktober 1989deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:1989:AD0912

Uitspraak

20 oktober 1989

Eerste Kamer

Rek.nr. 7464

P.N.

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

in de zaak van:

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

VERZOEKER tot cassatie,

advocaat: Mr. H.C. Grootveld,

tegen

ALGEMEEN BUGERLIJK PENSIOENFONDS,

gevestigd te Heerlen,

VERWEERSTER in cassatie,

advocaat: Mr. C.J.J.C. van Nispen.

1. Het geding in feitelijke instanties

Met een op 28 juli 1987 gedateerd verzoekschrift heeft verzoeker tot cassatie, verder te noemen [verzoeker], zich gewend tot de Kantonrechter te Maastricht met verzoek tot vaststelling van zijn betalingsverplichting ex art. 12 Huurprijzenwet woonruimte over de jaren 1980 tot en met 1985 jegens verweerster in cassatie, verder te noemen ABP, als verhuurster van de flatwoning gelegen aan de Via Regia nr. 126 S te Maastricht.

Nadat ABP tegen het verzoekschrift verweer had gevoerd, heeft de Kantonrechter na gehouden verhoor van partijen ter terechtzitting van 26 november 1987 bij beschikking van 21 januari 1988 [verzoeker] niet ontvankelijk verklaard in zijn verzoek over de jaren 1980 tot en met 1983 en verklaard, dat de betalingsverplichting van [verzoeker] als huurder van bovenvermelde flatwoning met betrekking tot de in artikel 12, lid 1, Huurprijzenwet woonruimte bedoelde kosten ter zake als in die beschikking omschreven, over 1984 een bedrag van f 426,95 en over 1985 een bedrag van f 426,81 bedraagt.

Tegen deze beschikking heeft [verzoeker] hoger beroep ingesteld bij de Rechtbank te Maastricht.

Bij beschikking van 28 juni 1988 heeft de Rechtbank na gehouden verhoor ter terechtzitting van 19 mei 1988 [verzoeker] niet ontvankelijk in zijn hoger beroep verklaard. De beschikking van de Rechtbank is aan deze beschikking gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van de Rechtbank heeft [verzoeker] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatieverzoekschrift is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

ABP heeft verzocht het beroep te verwerpen.

De conclusie van de Advocaat-Generaal Van Soest strekt tot verwerping van het beroep en tot veroordeling van [verzoeker] in de kosten, op de voorziening in cassatie gevallen.

Op 27 juli 1989 is bij de Hoge Raad ingekomen een aan de President gerichte brief van Mr. Grootveld, waarin deze onder verwijzing naar het tweede lid van art. 328; Rv. aandacht vraagt voor wat in deze brief wordt aangeduid. als een kennelijke vergissing in de op 30 juni 1989 genomen conclusie van het Openbaar Ministerie. Of inderdaad sprake is van een kennelijke vergissing "waarover in redelijkheid geen discussie meer mogelijk is" (HR 30 okt. 1987, NJ 1988, 153) kan in het midden blijven, nu de Hoge Raad deze brief reeds daarom ter zijde zal leggen omdat niet kan worden gezegd dat hij aantekeningen bevat welke "onmiddellijk" ter hand zijn gesteld in de zin van evengenoemde bepaling.

3. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie

De stelling van ABP dat [verzoeker] op grond van het bepaalde in het derde lid van art. 28 Huurprijzenwet woonruimte (Hpw) niet ontvankelijk is in zijn beroep in cassatie, ziet eraan voorbij dat het onderhavige cassatieberoep de strekking heeft aan de Hoge Raad de vraag ter beantwoording voor te leggen of de Rechtbank het desbetreffend hoger beroep terecht op grond van genoemde bepaling niet ontvankelijk heeft geoordeeld. Een zodanig cassatieberoep is ontvankelijk.

4. Beoordeling van het cassatiemiddel

Het middel is gericht tegen de rechtsoverwegingen 5 en 6 van de in cassatie bestreden beschikking.

Tegen een op het eerste lid van art. 14 Hpw gebaseerde beslissing van de Kantonrechter staat op grond van het bepaalde in het derde lid van art. 28 in verbinding met het derde lid van art. 14 Hpw hoger beroep en beroep in cassatie niet open.

Een zodanig beroep is, voor zover hier van belang, slechts ontvankelijk als het gaat om klachten welke de strekking hebben te betogen dat de Kantonrechter ten onrechte buiten het toepassingsgebied van art. 14 lid 1 is getreden (HR 13 maart 1987, NJ 1987, 1017).

De Rechtbank heeft terecht geoordeeld dat dit geval zich hier niet voordeed, nu [verzoeker] in hoger beroep weliswaar erover heeft geklaagd dat de Kantonrechter buiten het toepassingsgebied van art. 14 is getreden, maar deze klacht blijkens de vaststellingen van de Rechtbank uitsluitend hierop was gegrond dat de

Kantonrechter ten onrechte had geoordeeld dat een verzoek op grond van art. 14, op straffe van niet-ontvankelijkheid, binnen een redelijke termijn na afloop van de betrokken periode moet worden gedaan en dat deze termijn in dit geval was overschreden.

Derhalve faalt onderdeel 1 en kan onderdeel 2 niet tot cassatie leiden.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt [verzoeker] in de kosten van het geding in cassatie, tot aan deze beschikking aan de zijde van ABP begroot op f 350, -- aan verschotten en f 2.000, -- voor salaris.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president Martens als voorzitter en de raadsheren Bloembergen, Haak, Roelvink en Davids, en in het openbaar uitgesproken door Mr. Martens op 20 oktober 1989.