Civiel recht overig

Alimentatie studerend kind. Behoefte; aanvullende (rentedragende) studielening (Wet op de…

Hoge Raad, 13 maart 1992

Zaakgegevens

Op 13 maart 1992 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.

Instantie
Hoge Raad
Zittingsplaats
Den Haag
Datum uitspraak
13 maart 1992
Datum publicatie
8 april 2013
Zaaknummer
7999
Procedure
Cassatie
Advocaat
Mr. P. Garretsen
ECLI
ECLI:NL:HR:1992:ZC0542
E-mail

Samenvatting

Alimentatie studerend kind. Behoefte; aanvullende (rentedragende) studielening (Wet op de studiefinanciering). Indexering.

Uitspraak

13 maart 1992

Eerste Kamer

Rek.nr. 7999

Br.

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

in de zaak van:

[de vader] ,

wonende te [woonplaats] ,

VERZOEKER tot cassatie,

advocaat: Mr. P. Garretsen,

t e g e n

1. [de moeder] ,

2. [de zoon] ,

beiden wonende te [woonplaats] ,

VERWEERDERS in cassatie,

niet verschenen.

1. Het geding in feitelijke instanties

Met een op 15 maart 1990 gedateerd verzoekschrift heeft verweerster in cassatie sub 1 — verder te noemen de moeder — zich gewend tot de Rechtbank Arnhem met verzoek te bepalen dat verzoeker tot cassatie — verder te noemen de vader — zal hebben bij te dragen in het levensonderhoud van de verweerder in cassatie sub 2 — verder te noemen [de zoon] — tot een bedrag van ƒ 500,-- per maand, ingaande 1 januari 1988 tot en met 31 maart 1989. Met een op 3 april 1990 ter griffie van voormelde Rechtbank ingekomen verzoekschrift heeft [de zoon] de Rechtbank verzocht de door de vader te betalen bijdrage voor zijn levensonderhoud te bepalen op ƒ 500,-- per maand, zulks ingaande 1 januari 1988 tot en met 31 december 1989, en met een op 24 augustus 1990 gedateerd verzoekschrift heeft [de zoon] de Rechtbank verzocht de door de vader voor hem te betalen bijdrage met ingang van 1 januari 1990 vast te stellen op ƒ 500,-- per maand.

Nadat de vader tegen de verzoeken verweer had gevoerd, heeft de Rechtbank bij beschikking van 13 november 1990 bepaald dat de vader als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de zoon] voor de periode 1 januari 1988 tot en met 31 maart 1989 zal bijdragen ƒ 250,-- per maand en met ingang van 1 april 1989 als bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie van [de zoon] ƒ 125,-- per maand, en het meer of anders verzochte afgewezen.

Tegen deze beschikking heeft de vader hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Arnhem.

Bij beschikking van 28 mei 1991 heeft het Hof de bestreden beschikking bekrachtigd.

De beschikking van het Hof is aan deze beschikking gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van het Hof heeft de vader beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De conclusie van de Advocaat-Generaal Meijers strekt tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van de middelen

3.1 Het Hof heeft vastgesteld dat [de zoon] met ingang van 1 april 1989 recht heeft op een toelage krachtens de Wet op de studiefinanciering (hierna: de WSF) en dat hij naast de basisbeurs voor een thuiswonende een aanvullende lening ontvangt van ƒ 125,-- per maand. Het Hof heeft voorts geoordeeld dat deze lening een subsidiair karakter heeft en dat dit inhoudt dat het primair een verplichting voor de vader is dit deel van de behoefte van [de zoon] voor zijn rekening te nemen. Dit oordeel wordt door middel 1 bestreden.

Bij de beoordeling van het middel moet uitgangspunt zijn dat [de zoon] aan het hem, naast de basisbeurs, door de lening beschikbaar gestelde bedrag van ƒ 125,-- per maand behoefte heeft, terwijl voorts, voor wat dit middel betreft, veronderstellenderwijs ervan moet worden uitgegaan dat de draagkracht van de vader voldoende is om een uitkering van ƒ 125,-- per maand te zijnen laste te brengen (de draagkracht komt in de volgende middelen aan de orde). Zou juist zijn het betoog van het middel dat de vader evenvermeld bedrag niet voor zijn rekening behoeft te nemen, dan zou het gevolg zijn dat [de zoon] , die tot terugbetaling van het geleende bedrag verplicht is (zij het niet eerder dan vanaf 1 januari van het jaar volgend op het jaar waarin hij is opgehouden met studerende te zijn, art. 37 WSF), zijn kosten van levensonderhoud en studie in zoverre zelf zou moeten dragen. Dit is niet verenigbaar met art. 1:395a lid 1 BW en volgt ook niet uit het stelsel van de WSF. Het middel faalt derhalve.

3.2 Middel 2 is gegrond. Het Hof heeft zijn oordeel dat de vader in staat moet worden geacht over 1988 de door de Rechtbank vastgestelde alimentatie ten behoeve van [de zoon] te voldoen, gegrond op het besteedbaar inkomen dat de vader, ‘’afgemeten aan zijn privé-opnamen van ƒ 32.077,--‘’, heeft. Dit bedrag heeft het Hof kennelijk ontleend aan een tot de gedingstukken behorende draagkrachtberekening van het door de vader ingeschakelde administratiekantoor, welke berekening ter zake van privé-opnamen uitgaat van een bedrag van ƒ 33.977,--, op welk bedrag het Hof ƒ 1.900,-- wegens het ten onrechte meetellen van kinderbijslag in mindering heeft gebracht (rov. 2.5).

De Rechtbank had echter reeds geoordeeld dat, zoals de vader had betoogd, het bedrag van de privé-opnamen ook dient te worden gecorrigeerd met een bedrag van ƒ 7.968,--, tegen welk oordeel in hoger beroep niet is opgekomen. Niet begrijpelijk is daarom dat het Hof met deze correctie geen rekening heeft gehouden. Aangezien niet zeker is dat het Hof tot dezelfde beslissing zou zijn gekomen indien het de bedoelde correctie wel had toegepast, moet de gegrondheid van het middel tot vernietiging van de bestreden beschikking en verwijzing leiden.

3.3 Middel 3 komt op tegen het oordeel van het Hof dat de Rechtbank terecht geen rekening heeft gehouden met de door de vader opgevoerde kosten in verband met het ziekenhuisverblijf van de zoon van zijn huidige echtgenote (rov. 2.3). Dit oordeel steunt op twee zelfstandige gronden: (a) die kosten zijn niet voldoende aannemelijk gemaakt, en (b) aan de verplichting van de vader tot betaling van een uitkering voor [de zoon] dient een hogere prioriteit te worden gegeven dan aan zijn verplichting tot betaling van de bedoelde kosten.

Het middel acht 's Hofs oordeel ten aanzien van grond (a) onbegrijpelijk in het licht van het in rov. 2.13 vermelde uitgangspunt van het Hof dat de financiële gegevens van de vader juist zijn. De gedachtengang van het middel berust echter op een verkeerde lezing van rov. 2.13. Met ‘’de financiële gegevens’’ van de vader heeft het Hof kennelijk, gelet op het passeren van het aanbod de boekhouder van de vader te horen, het oog op de financiële gegevens betreffende het bedrijf van de vader, niet ook op de voormelde door hem opgevoerde kosten in verband met ziekenhuisverblijf van zijn stiefzoon. Het oordeel dat die kosten niet voldoende aannemelijk zijn gemaakt is, mede in het licht van de bestrijding door de moeder en [de zoon] van de noodzaak tot het maken van die kosten, niet onbegrijpelijk.

Het middel komt dus tevergeefs op tegen 's Hofs oordeel omtrent grond (a). Dit brengt mee dat het, voor zover het zich keert tegen 's Hofs oordeel ten aanzien van grond (b), geen bespreking behoeft.

3.4 Middel 4 is eveneens tevergeefs voorgesteld. De Rechtbank had overwogen dat, gelet op de problemen betreffende het tijdig overleggen van jaarstukken in het verleden, voor de toekomst moet worden afgezien van de methode van het achteraf vaststellen van een alimentatiebijdrage. In rov. 2.7 onderschrijft het Hof deze overweging, daaraan nog toevoegend dat de voorheen gevolgde berekeningsmethode stuitte op problemen die waren terug te voeren op onwil van de vader tijdig inzicht in zijn jaarstukken te geven aan de Raad voor de Kinderbescherming en (rov. 2.8) dat het belang van de alimentatiegerechtigde meebrengt dat zijn aanspraken ook voor de toekomst tijdig worden vastgelegd. Anders dan het middel aanvoert zijn het oordeel van het Hof en de daarvoor gegeven motivering geenszins onbegrijpelijk.

3.5 Middel 5 betoogt dat het Hof de indexering van de vastgestelde uitkering had moeten uitsluiten, nu het niet heeft vastgesteld dat de verwachting gerechtvaardigd is dat de vader bij gelijkblijvende omstandigheden een hoger inkomen zal genieten, en de aanvullende lening renteloos is.

Dit betoog faalt. De stukken van het geding laten slechts de conclusie toe — en het Hof is er ook kennelijk van uitgegaan — dat de vader niet heeft aangevoerd dat het vermoeden van stijging van zijn inkomsten waarvan de wettelijke regeling betreffende indexering van uitkeringen voor levensonderhoud uitgaat, in zijn geval niet opgaat, zodat in dit geding van dit vermoeden moet worden uitgegaan. Voor wat betreft de aan [de zoon] toekomende toelage uit hoofde van de WSF heeft het Hof in aanmerking genomen dat deze niet is gebaseerd op zijn individuele behoefte, welke wel van belang is voor de vaststelling van een uitkering als in dit geding aan de orde, zodat geen aanleiding bestaat de indexering uit te sluiten. Dit oordeel geeft niet blijk van een onjuiste opvatting van art. 1:402a BW.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de beschikking van het Gerechtshof te Arnhem van 28 mei 1991;

verwijst het geding naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing;

compenseert de kosten van het geding in cassatie aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door de president Royer als voorzitter en de raadsheren De Groot, Hermans, Haak en Neleman, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer Hermans op 13 maart 1992.