Civiel recht overig

Alimentatie studerend kind. Behoefte: aanvullende (rentedragende) studielening (Wet op de…

Parket bij de Hoge Raad, 22 januari 1992

Zaakgegevens

Op 22 januari 1992 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over civiel recht.

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
22 januari 1992
Datum publicatie
12 juni 2023
Zaaknummer
7999
ECLI
ECLI:NL:PHR:1992:36
E-mail

Samenvatting

Alimentatie studerend kind. Behoefte: aanvullende (rentedragende) studielening (Wet op de studiefinanciering). Indexering.

Procesgang

  1. Conclusie A-G · 22 januari 1992deze uitspraak

    ECLI:NL:PHR:1992:36

  2. Hoge Raad · 13 maart 1992

    ECLI:NL:HR:1992:ZC0542

Conclusie

Rek.nr. 7999

Parket, 22 januari 1992

Mr. Meijers

Conclusie inzake:

[de man]

tegen

[de zoon]

en [de vrouw]

Edelhoogachtbaar College,

1. De Rechtbank te Arnhem heeft bij beschikking van 13 november 1990 bepaald dat de man als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de zoon] voor de periode 1 januari 1988 tot en met 31 maart 1989 zal betalen ƒ 250,- per maand en met ingang van 1 april 1989 als bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie ƒ 125,- per maand. Het gerechtshof te Arnhem heeft bij beschikking van 28 mei 1991 de beschikking van de rechtbank bekrachtigd.

2. Bij tijdig ingediend verzoekschrift heeft de man beroep in cassatie ingesteld onder aanvoering van één middel dat in vijf onderdelen opkomt tegen de overwegingen die het hof heeft gewijd aan de behoefte van [de zoon] en de draagkracht van de man.

3. Het eerste onderdeel betreft het volgende. Het hof heeft onder meer vastgesteld dat [de zoon] met ingang van 1 april 1989 recht heeft op een toelage krachtens de Wet op de studiefinanciering (Wet van 24 april 1986, Stb. 252; hierna: WSF) en op grond daarvan naast de basisbeurs voor een thuiswonende een aanvullende lening van ƒ 125,- per maand ontvangt. Het onderdeel komt op tegen het oordeel van het hof dat het subsidiaire karakter van deze lening inhoudt dat het primair een verplichting voor de man is, dat deel van de behoefte van [de zoon] , welke behoefte met de toekenning van de aanvullende lening vaststaat, voor zijn rekening te nemen. Het middelonderdeel betoogt dat het oordeel van het hof tot de gevolgtrekking leidt dat ‘’iedere 18-jarige met een aanvullende lening de betaling daarvan zou kunnen vorderen van zijn ouders’’.

4. De toelage op grond van de WSF bestaat uit een basisbeurs, die van het inkomen van de ouders onafhankelijk, en een aanvullende financiering, die van het inkomen van de ouders afhankelijk is. Bij de aanvullende financiering, in de vorm van een rentedragende lening en eventueel van een aanvullende beurs (art. 17 WSF), gaat het over een suppletoire vorm van studiefinanciering die een subsidiair karakter draagt in die zin ‘’dat door middel van kortingen op het maandbudget wordt aangegeven in hoeverre de studiefinancierende overheid terugtreedt’’ (AG mr. Verburg in zijn aanvullende conclusie voor HR 15 april 1988, NJ 1988, 49, m.nt. EAAL). Vgl. memorie van toelichting bij het ontwerp van de WSF, p. 14–16. Over het karakter van de ouderbijdrage als bedoeld in de WSF en de berekening ervan zij verwezen naar de gegevens in de al genoemde aanvullende conclusie van mijn ambtgenoot Verburg en de conclusie van mijn ambtgenoot Van Soest voor HR 1 juli 1988, NJ 1989, 388.

5. Het oordeel van het hof dat het in de eerste plaats de verplichting van de man is te voorzien in de behoefte van [de zoon] , die uitdrukking vindt, en voor zover zij uitdrukking vindt, in de aanvullende lening, is naar mijn mening juist. ‘’Met een lening voorziet een kind niet in zijn onderhoud. Indien de onderhoudsplichtige daartoe draagkracht heeft, dient hij ook het bedrag van de vastgestelde lening aan het kind te betalen’’ (Rapport van de werkgroep alimentatienormen van de studiekring burgerlijke rechtspraak van de NVvR, vierde herziene versie, Trema-special '91–1, p. 32). Het middelonderdeel is ongegrond.

6. Het tweede middelonderdeel acht onbegrijpelijk dat het hof (in 2.2) bij de berekening van de draagkracht van de vader uitgaat van privé-opnamen van ƒ 32.077,-, terwijl de rechtbank had vastgesteld dat dat bedrag, vermeld in de jaarstukken van de man over 1987, moest worden verlaagd met ƒ 7.968,- (vonnis, p. 3). Het onderdeel wijst terecht erop dat het hof bij de beoordeling van de eerste grief de door de rechtbank vastgestelde en in het appelverzoekschrift gememoreerde correctie over het hoofd heeft gezien. Ik meen evenwel dat het middelonderdeel niet tot cassatie leidt, aangezien de man bij dit onderdeel geen belang heeft. Het hof is, hoewel het de genoemde correctie kennelijk niet heeft meegeteld, uitgekomen op het door de man voor [de zoon] te betalen bedrag dat de rechtbank met inachtneming van die correctie voor juist hield.

7. Het derde onderdeel houdt de klacht in dat onbegrijpelijk is de overweging van het hof, inhoudende dat het hof uitgaat van de juistheid van de financiële gegevens van de man, zodat zijn bewijsaanbod (in het bijzonder het horen van de boekhouder) kan worden gepasseerd (2.13), terwijl het hof de door de man opgevoerde kosten in verband met het ziekenhuisverblijf van de zoon van zijn huidige echtgenote onvoldoende aannemelijk gemaakt acht (2.3). Wat laatstbedoelde kosten betreft: het hof heeft met betrekking daartoe ook overwogen (2.3) — evenals eerder de rechtbank (vonnis, p. 3) — dat aan de betaling van de alimentatie ten behoeve van [de zoon] een hogere prioriteit toekomt dan aan de uitgaven in verband met ziekenhuisverblijf van de zoon van de tweede echtgenote. Dit oordeel van het hof is naar mijn mening juist. Het middelonderdeel bestrijdt dit oordeel tevergeefs met een beroep op feiten en omstandigheden die in cassatie niet vaststaan. Legt men vervolgens, zoals voor de hand ligt, de klemtoon op hetgeen het hof onder 2.3 van zijn beschikking heeft overwogen, dan is, anders dan het middelonderdeel wil, van onbegrijpelijkheid van het oordeel van het hof geen sprake. Het middelonderdeel is ongegrond.

8. Het vierde middel acht onbegrijpelijk de overweging van het hof (2.6) dat het de rechtbank vrij stond de alimentatieverplichting van de man met inachtneming van de jaarstukken over 1989 vast te stellen. In het onderdeel wordt gesteld dat voor de vaststelling van de alimentatie over 1989 de jaarstukken over 1988 beslissend zijn. Het onderdeel komt naar mijn mening tevergeefs op tegen een niet onbegrijpelijk oordeel van het hof. Het hof heeft vastgesteld dat de rechtbank niet anders kon, mede doordat de man niet bereid was geweest de raad voor de kinderbescherming tijdig inzicht te geven in zijn jaarstukken over 1988. Het middelonderdeel is ongegrond.

9. In het vijfde onderdeel wordt het hof verweten dat het (in overweging 2.12) de niet-uitsluiting van de indexering redelijk heeft geoordeeld, zulks terwijl )a) het niet heeft vastgesteld dat te verwachten is dat de man bij gelijkblijvende omstandigheden een hoger inkomen zal genieten en (b) de aanvullende lening renteloos is. Het onderdeel is ongegrond. Uitgangspunt van de wet (art. 402a Boek 1 BW) is dat indexering plaatsvindt (vgl. Gisolf, Alimentatie, hoeveel? hoelang?, 1984, p. 86). Uitsluiting van indexering is een uitzondering, waartoe kan worden besloten op grond van overwegingen omtrent draagkracht en behoefte. De man heeft omtrent de te verwachten ontwikkeling van zijn draagkracht niets aangevoerd dat de rechter grond moest geven de indexering uit te sluiten. En wat de behoefte van [de zoon] betreft: het hof heeft terecht overwogen dat de hoogte van de toelage ingevolge de WSF afhankelijk is van de vraag of de student thuis- of uitwoont en van de gevolgde onderwijssoort, zodat bij de vaststelling van deze toelage de individuele behoefte die bij de bepaling van alimentatie in aanmerking moet worden genomen geen rol speelt.

De middelen ongegrond achtend, concludeer ik tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,