Civiel recht overig
Akte (stil pand/bezitloos pand); Bepaaldheid (omschrijving vordering op naam); Bezitloos pand; Pand (akte…
Hoge Raad, 20 juni 1997
ECLI:NL:HR:1997:ZC2398 · Hoge Raad · 20 juni 1997
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/civiel-recht/civiel-recht-overig/cassatie/ecli-nl-hr-1997-zc2398
Zaakgegevens
Op 20 juni 1997 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Datum uitspraak
- 20 juni 1997
- Datum publicatie
- 8 april 2013
- Zaaknummer
- 16365
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- Advocaat
- mr R.S Meijer, mr J.L.W. Sillevis Smitt
- ECLI
- ECLI:NL:HR:1997:ZC2398
Samenvatting
Akte (stil pand/bezitloos pand); Bepaaldheid (omschrijving vordering op naam); Bezitloos pand; Pand (akte; pandlijst); Stil pand.
Procesgang
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 2 mei 1997
ECLI:NL:PHR:1997:57Hoge Raad · 20 juni 1997deze uitspraak
ECLI:NL:HR:1997:ZC2398
Uitspraak
20 juni 1997
Eerste Kamer
Nr. 16.365 (C96/183)
AS
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
Mr drs Eduardus Christiaan Maria WAGEMAKERS, in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van B.V. LAGERO,
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
advocaat: mr R.S. Meijer,
tegen
COÖPERATIEVE RABOBANK "ROOSENDAAL" B.A.,
gevestigd te Roosendaal, gemeente Roosendaal en Nispen,
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: mr J.L.W. Sillevis Smitt.
1. Het geding in feitelijke instanties
Eiser tot cassatie - verder te noemen: de Curator - heeft bij exploit van 25 maart 1994 verweerster in cassatie - verder te noemen: de Bank - gedagvaard voor de Rechtbank te Breda en gevorderd de Bank te veroordelen om aan de Curator te betalen een bedrag van f 149.629,71 met de wettelijke rente daarover vanaf de datum van het faillissement, althans vanaf de datum van inning, dan wel vanaf 1 augustus 1993 of de dag van deze dagvaarding tot aan de dag van voldoening.
De Bank heeft de vordering bestreden en harerzijds een verklaring voor recht gevorderd dat Lagero van haar vordering ad f 149.629, 71 op Ehco-KLM-kleding N.V. een bedrag van f 148.500,-- rechtsgeldig aan de Bank heeft verpand.
De Rechtbank heeft bij vonnis van 4 april 1995 de Bank veroordeeld om aan de Curator te betalen een bedrag van f 1.129,71 met de wettelijke rente daarover vanaf 1 augustus 1993 en het meer of anders gevorderde afgewezen.
Tegen dit vonnis heeft de Curator hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch.
Bij arrest van 18 maart 1996 heeft het Hof het bestreden vonnis bekrachtigd.
Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het Hof heeft de Curator beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Bank heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten. De conclusie van de Advocaat-Generaal Hartkamp strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het middel
3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) B.V. Lagero produceerde tot 23 oktober 1992 bedrijfskleding in opdracht van diverse opdrachtgevers, waaronder KLM N.V. en Ehco-KLM-kleding N.V., hierna ook Ehco te noemen.
(ii) Op 18 juli 1990 is tussen Lagero en de Bank een schriftelijke overeenkomst gesloten, waarbij Lagero haar vorderingen op derden cedeerde aan de Bank. Uit dien hoofde was Lagero verplicht om regelmatig aan de Bank lijsten toe te zenden, waarop die vorderingen staan omschreven.
(iii) Met de invoering van de Boeken 3, 5 en 6 BW op 1 januari 1992 is de verplichting om de vorderingen over te dragen op grond van art. 86 Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek omgezet in de verplichting tot vestigen van een stil pandrecht op die vorderingen.
(iv) Bij factuur van 30 september 1992, nr 1492, heeft Lagero aan Ehco ter zake van geleverde goederen een bedrag van f 149.629,71 in rekening gebracht.
(v) Lagero heeft aan de Bank een onderhandse akte, met als opschrift "pandlijst" en gedateerd 2 oktober 1992, toegezonden, welke akte op 5 oktober 1992 is geregistreerd.
De akte verwijst naar computerlijsten, waarop, voor zover hier van belang, de volgende vorderingen zijn vermeld:
- Ehco-KLM-kleding 0,00
- KLM N.V. f 150.049,32
- (handgeschreven) Mobau f 148.500, --
(vi) Lagero heeft daarna aan de Bank een soortgelijke akte, gedateerd 14 oktober 1992, toegezonden, welke akte op 15 oktober 1992 is geregistreerd. Ook in deze akte wordt verwezen naar computerlijsten. Voor zover te dezen van belang worden op die lijsten de volgende vorderingen vermeld:
- Ehco-KLM-kleding 0,00
- KLM N.V. f 313.681,11
- (handgeschreven) KLM f 76,49
- (handgeschreven) KLM f 150.191,53.
(vii) In de administratie is de hiervoor onder (iv) bedoelde vordering op Ehco ad f 149.629,71 bij vergissing geboekt op de debiteurenkaart van KLM N.V. met vermelding van het factuurnr 1492. De betreffende factuur bevat de volgende woorden: "Uw telefonische order d.d. 07.07.92 t.b.v. Mobau". Lagero had toen geen debiteur Mobau. Op 14 oktober 1992, had Lagero ook niet een vordering ten bedrage van f 313.681, 11 op KLM N.V., doch een vordering tot een lager bedrag .
(viii) Bij brief van 22 oktober 1992 heeft de Bank aan Ehco medegedeeld dat de hiervoor onder (iv) bedoelde vordering door Lagero aan de Bank was verpand. Ehco heeft het bedrag van f 149.629, 71 aan de Bank betaald.
(ix) Lagero is bij vonnis van de Rechtbank te Breda van 23 oktober 1992 in staat van faillissement verklaard, waarbij tevens de Curator is benoemd.
3.2 In de onderhavige zaak heeft de Curator van de Bank betaling aan de boedel van voormeld bedrag van f 149. 629,71 gevorderd. Hij heeft daartoe aangevoerd, kort samengevat, dat uit geen van de voormelde pandakten blijkt dat de vordering van Lagero op Ehco aan de Bank is verpand en dat de Bank zich derhalve ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat zij als pandhouder gerechtigd was de vordering op Ehco te innen.
De Rechtbank heeft dit betoog in zoverre verworpen dat zij heeft aangenomen dat de vermelding op de computerlijst van 2 oktober 1992 van een vordering op Mobau van f 148.500, -- op een vergissing berust en dat daarmee in werkelijkheid de voormelde vordering op Ehco bedoeld was en dat die vordering op de computerlijst van 14 oktober 1992 bij vergissing is begrepen in de daarop vermelde vordering op KLM N.V. ten bedrage van f 313.681, 11. Daaruit heeft de Rechtbank afgeleid dat de vordering op Ehco tot het op de computerlijst van 2 oktober 1992 vermelde bedrag van f 148.500, -- aan de Bank is verpand, zodat de vordering van de Curator slechts tot een bedrag van f 1.129, 71 toewijsbaar is.
Het Hof is met verwerping van de tegen het vonnis van de Rechtbank gerichte grieven tot dezelfde slotsom gekomen. Daartegen richt het middel een reeks klachten.
3.3 Bij de beoordeling van het middel dient uitgangspunt te zijn dat voor het vestigen van pandrecht op een of meer vorderingen voldoende is dat de geregistreerde pandakte zodanige gegevens bevat dat, eventueel achteraf, aan de hand daarvan kan worden vastgesteld om welke vorderingen het gaat (HR 14 oktober 1994, NJ 1995, 447, rov. 4.2) . Het Hof heeft in het voetspoor van de Rechtbank geoordeeld dat dit geval zich ter zake van de vordering op Ehco, voor wat betreft het hiervoor vermelde bedrag van f 148.500, -- , inderdaad voordoet. Het heeft zulks gegrond op zijn uitleg van de vermeldingen op de computerlijsten, die hiervoor in 3.1 onder (v) en (vi) zijn weergegeven, in het bijzonder de beide vermeldingen "Mobau f 148.500, -- " en "KLM N.V. f 313.681, 11", in het licht van de hiervoor in 3.1 onder (vii) vermelde - objectieve - gegevens uit de administratie van Lagero. Een en ander geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is in het licht van de voormelde gegevens niet onbegrijpelijk en behoefde geen nadere motivering. Alle klachten van het middel stuiten hierop af.
Daarbij verdient nog aantekening dat een onjuiste aanduiding van een vordering op een van de pandgever afkomstige computerlijst als hier aan de orde er niet aan in de weg staat dat achteraf mag worden vastgesteld om welke vordering het gaat, mits achteraf aan de hand van objectieve gegevens vastgesteld kan worden welke vordering de pandgever met deze aanduiding op het oog moet hebben gehad. Dit strookt met de omstandigheid dat ook van een juiste aanduiding nauwelijks verwacht kan worden dat zij aan de pandhouder duidelijk maakt welke vordering de pandgever daarmee precies op het oog heeft gehad, zolang de pandgever hem niet achteraf aan de hand van zijn administratie de daartoe nodige nadere gegevens verschaft. In een overeenkomst die tot toezending van dergelijke lijsten ter verpanding van de telkens ontstane vorderingen op derden verplicht, ligt besloten dat de pandhouder bij voorbaat met een dergelijke wijze van aanduiding heeft ingestemd. Indien de vordering op de computerlijst is opgenomen voor een lager bedrag dan verschuldigd is, komt het pandrecht evenwel in beginsel slechts op het deel van de vordering te rusten dat met dit lagere bedrag overeenkomt, zoals Rechtbank en Hof in de onderhavige zaak ook hebben aangenomen.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt de Curator in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Bank begroot op f 3.747,20 aan verschotten en f 3.000, -- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vice-president Snijders als voorzitter en de raadsheren Korthals Altes, Neleman, Heemskerk en Jansen, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer Heemskerk op 20 juni 1997.
Voor eensluidend afschrift,
De Griffier van de Hoge Raad der Nederlanden,