Civiel recht overig
Akte (stil pand/bezitloos pand); Bepaaldheid (omschrijving vordering op naam); Bezitloos pand; Pand (akte…
Parket bij de Hoge Raad, 2 mei 1997
ECLI:NL:PHR:1997:57 · Parket bij de Hoge Raad · 2 mei 1997
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/parket-bij-de-hoge-raad/civiel-recht/civiel-recht-overig/ecli-nl-phr-1997-57
Zaakgegevens
Op 2 mei 1997 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Parket bij de Hoge RaadParket bij de Hoge RaadHet onafhankelijke parket van de procureur-generaal en de advocaten-generaal, die de Hoge Raad adviseren in conclusies.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 2 mei 1997
- Datum publicatie
- 6 juli 2026
- Zaaknummer
- 16.365
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:1997:57
Samenvatting
Akte (stil pand/bezitloos pand); Bepaaldheid (omschrijving vordering op naam); Bezitloos pand; Pand (akte; pandlijst); Stil pand.
Conclusie
nr. 16365
zitting 2 mei 1997
Mr. Hartkamp
Conclusie inzake
Mr. E.C.M. Wagemakers q.q.
tegen
Coöperatieve Rabobank "Roosendaal" B.A.
Edelhoogachtbaar College,
Feiten en procesverloop
1) In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan. Mr Wagemakers, eiser tot cassatie, is curator van de op 23 oktober 1992 gefailleerde vennootschap B.V. Lagero. Tot het moment waarop haar faillissement werd uitgesproken, produceerde Lagero kleding in opdracht van diverse opdrachtgevers, waaronder Ehco-KLM-kleding N.V. (hierna: Ehco) en KLM N.V.
Lagero heeft Ehco voor geleverde zaken een bedrag van f 149.629,71 in rekening gebracht, bij factuur van 30 september 1992 (prod. IV bij conclusie van antwoord). Het factuurnummer van deze factuur was 1492, en op de factuur stond ondermeer vermeld:
"Uw telefonische order d.d. 07.07.92 t.b.v. Mobau"
Deze vordering van Lagero op Ehco ad f 149.629,71 bleek in de administratie van Lagero te zijn geboekt op de debiteurenkaart van KLM N.V. (prod. VI bij conclusie van antwoord). De vordering wordt op deze kaart aangeduid met "Ehco-KLM/Mobau", met vermelding van nummer 1492.
Bij overeenkomst van 18 juli 1990 had Lagero al haar vorderingen op derden gecedeerd aan verweerster in cassatie, de bank (prod. I bij conclusie van antwoord) . Op grond van deze overeenkomst was Lagero gehouden regelmatig lijsten aan de bank te zenden waarop deze vorderingen stonden vermeld. Per 1 januari 1992 is deze verplichting om de vorderingen over te dragen omgezet in de verplichting tot het vestigen van een stil pandrecht op die vorderingen (art. 86 Ow).
Op een op 2 oktober 1992 door Lagero aan de bank toegezonden pandakte, die op 5 oktober 1992 is geregistreerd (prod. II bij conclusie van antwoord), staat een verwijzing naar op computerlijsten vermelde vorderingen. Op de hier bedoelde computerlijsten werden ondermeer de volgende vorderingen vermeld:
- Ehco-KLM-kleding 0,00
- KLM N.V. f 150.049,32
Een soortgelijke pandakte werd op 14 oktober 1992 aan de bank verzonden en op 15 oktober 1992 geregistreerd (prod. III bij conclusie van antwoord). Op de bij deze pandakte behorende lijsten stonden onder meer de volgende vorderingen vermeld:
- Ehco-KLM-kleding 0,00
- KLM N.V. f 313.681,11
- KLM f 76,49 (handgeschreven)
- KLM - f 150.191,53 (handgeschreven)
Bij brief van 22 oktober 1992 heeft de bank aan Ehco medegedeeld dat de vordering ad f 149.629,71 van Lagero op Ehco door Lagero aan de bank was verpand (prod. V bij conclusie van antwoord). Ehco heeft het bedrag van f 149.629,71 betaald aan de bank.
2) Bij dagvaarding van 25 maart 1994 heeft de curator de bank gedagvaard en daarbij betaling aan de boedel van dit bedrag van f 149.629,71 gevorderd. De curator betoogde daartoe dat uit geen van de pandaktes bleek dat de vordering van Lagero op Ehco aan de bank was verpand, en dat de bank zich derhalve ten onrechte op het standpunt had gesteld dat zij als pandhouder gerechtigd was de vordering op Ehco te incasseren.
De bank stelde daar tegenover dat de vordering op Ehco wel degelijk aan haar was verpand en dat dit bleek uit voornoemde pandaktes en de bijbehorende computerlijsten, alsmede uit de hiervoor beschreven feiten. Volgens de bank werd de aan de vordering ten grondslag liggende order van Ehco - die bestond uit kleding welke uiteindelijk bestemd was voor een afnemer "Mobau" - bij Lagero intern met "Mobau" aangeduid en was het dan ook deze vordering die, voor een bedrag van f 148.500, -- , was opgenomen (handmatig bijgeschreven) in de computerlijst, behorend bij de pandakte van 2 oktober 1992. Vervolgens was deze vordering door Lagero intern verwerkt, waarbij zij echter abusievelijk niet geboekt werd bij Ehco, maar bij KLM N.V., een onderneming die geen enkele relatie heeft met Ehco, anders dan een toevallige gelijkenis in haar naam. Als gevolg hiervan was de vordering begrepen in het bedrag van f 313.681,11 zoals bij KLM N.V. vermeld in de computerlijst behorend bij de pandakte d.d. 14 oktober 1992. Volgens de bank was hiermee niet alleen verklaard op welke wijze de vordering op Ehco was begrepen in de aan de bank verpande vorderingen, maar ook waarom in de computerlijsten telkens f 0,00 vermeld was als totaal van de vorderingen van Lagero op Ehco.
De curator betwistte niet de juistheid van dit betoog, maar wel de geldigheid van het pandrecht dat op deze wijze zou zijn gevestigd. Volgens de curator was ook indien het betoog van de bank juist zou zijn, niet voldaan aan het vereiste dat de vordering in voldoende mate door de pandakte was bepaald, zodat geen geldige verpanding had plaatsgevonden.
3) De rechtbank wees de vordering van de curator voor het overgrote deel af. Naar haar oordeel was voldaan aan het criterium zoals geformuleerd door HR 14 oktober 1994, NJ 1995, 447 m.nt. WMK, AA 1996, p. 115 m.nt. Kortmann:
"Voldoende is dat de akte zodanige gegevens bevat dat, eventueel achteraf, aan de hand daarvan kan worden vastgesteld om welke vordering het gaat. "
De rechtbank overwoog voorts:
"Hoewel aan de curator dient te worden toegegeven dat de vordering op Ehco op beide lijsten op nihil is gesteld geldt niettemin dat aan de hand van die lijsten kan worden vastgesteld dat de vermelding van de niet bestaande debiteur Mobau tot een bedrag van f. 148.500, -- en het ten onrechte tot een te hoog bedrag vermelden van KLM NV als debiteur op een vergissing berust en feitelijk beoogd werd de vordering op Ehco te verpanden. Doorslaggevend daarbij is dat de betrokken partijen - Lagero, Ehco en de Bank - zelf wisten om welke vordering het ging waarbij geen aanleiding bestaat het inzicht van Lagero zelf, niet aan de curator toe te rekenen."
De rechtbank leidde hieruit af dat voor een bedrag van f 148.500, -- een rechtsgeldige verpanding had plaatsgevonden, zodat zij de vordering van de curator uitsluitend voor het restantbedrag van f 1.129,71 toewees.
4) De curator ging van dit vonnis in appel, maar zonder succes. Het hof bekrachtigde het vonnis in zijn arrest van 18 maart 1996, waarin het voorop stelde (r.o. 4.3.1):
"De vraag waar het in casu om gaat is of de vordering van Lagero op Ehco ad f 149.629,71 voorafgaand aan het faillissement van Lagero op rechtsgeldige wijze is verpand aan de Bank, meer in het bijzonder of de vordering op Ehco ten tijde van de verpanding in voldoende mate door de beide voornoemde akten werd bepaald. "
Daarop besprak het hof in r.o. 4.3.2 een aantal van de hiervoor aangehaalde omstandigheden en stellingen van partijen, waarna het vervolgde:
"Het hof is van oordeel dat, ondanks genoemde onjuistheden in de administratie van Lagero, aan de hand van de computerlijsten in samenhang met voornoemde factuur d.d. 30 september 1992 en met genoemde debiteurenkaart, en gelet op het feit dat Lagero geen debiteur met de naam Mobau had, kan en kon worden vastgesteld dat Lagero in oktober 1992 een vordering op Ehco had, zodat Lagero in staat was die vordering te verpanden aan de bank. Het hof onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat aan de hand van de computerlijsten kan worden vastgesteld dat de vermelding van een niet-bestaande debiteur Mobau tot een bedrag van f 148.500, -- en het ten onrechte voor een te hoog bedrag vermelden van KLM N.V. als debiteur op een vergissing berust en dat feitelijk beoogd werd de vordering op Ehco te verpanden. De rechtbank overwoog terecht dat bij dit laatste doorslaggevend is dat de betrokken partijen - Lagero, Ehco en de bank - wisten om welke vordering het ging."
Het hof herhaalde vervolgens het geciteerde criterium uit het arrest van 14 oktober 1994 en oordeelde dat aan de maatstaf van voldoende bepaaldheid was voldaan. Het verwierp daarbij het betoog van de curator dat alleen de stukken waarnaar de akte verwijst relevant zijn voor de beoordeling of de verpande vordering voldoende bepaald is;
" ... die eis wordt noch in de wet noch in de jurisprudentie van de Hoge Raad gesteld. Ook het standpunt van de curator dat de verplichting tot registratie meebrengt dat de relevante documenten op het moment van verpanding aan de hand van de geregistreerde akte limitatief bepaalbaar zijn, vindt geen steun in het recht."
Of de bank op het moment van registratie precies wist hoe de vork in de steel zat, of dat de bank eerst nadien (op 22 december 1992) exact achterhaalde welke vordering aan haar was verpand, deed dan volgens het hof niet meer ter zake (r.o. 4.3.2.1):
"Zelfs indien aangenomen zou moeten worden dat de Bank ten tijde van de verpanding niet exact wist welke vordering aan haar werd verpand, dan betekent dit nog niet dat de verpanding niet rechtsgeldig was. Voor een rechtsgeldige verpanding van een vordering op naam is immers, zoals de Hoge Raad in bovengenoemde uitspraak overwoog voldoende, dat de akte zodanige gegevens bevat dat, eventueel achteraf, kan worden vastgesteld om welke vordering het gaat."
Voor wat betreft de hoogte van de verpande vordering tenslotte diende volgens het hof te worden uitgegaan van het bedrag zoals dat op de computerlijst (behorend bij de pandakte van 2 oktober 1992) werd genoemd, te weten f 148.500, --. Terecht had de rechtbank dan ook de vordering slechts voor het resterende bedrag van f 1.129,71 toegewezen, aldus het hof (r.o. 4.3.3).
5) De curator heeft - tijdig - beroep in cassatie ingesteld met een middel waarin in twee onderdelen, opgebouwd uit subonderdelen, klachten tegen het arrest worden geformuleerd. Partijen hebben vervolgens hun stellingen schriftelijk doen toelichten, waarna zij arrest hebben gevraagd.
Bespreking van het cassatiemiddel
6) Men zie over de uitspraak van 1994 de literatuur vermeld in Vermogensrecht, art. 239 (Stein), aant. 23, waaraan toe te voegen Ophof, TVVS 1994, p. 334 e.v., G. Snijders, Advocatenblad 1994, p. 897 e.v., Van Mierlo, Nieuwsbrief BW 1994 p. 114 e.v., Cammelbeeck, V&O 1994, p. 135 e.v. en Vriesendorp, TvI 1995, p. 13 e.v. Algemene beschouwingen over het bepaaldheidsvereiste zijn te vinden bij T.H.D. Struycken, in Onderneming en nieuw burgerlijk recht (1997), p. 121 e.v. Ik merk nog op dat HR 21 april 1995, NJ 1996, 652 m.nt. WMK, dat in de schriftelijke toelichtingen ter sprake is gebracht, over een andere casus gaat en voor de onderhavige zaak niet van belang is.
7) In het onderhavige geval heeft, evenals in de zaak die leidde tot het genoemde arrest van Uw Raad, verpanding en registratie plaatsgevonden conform het NVB-model. Derhalve was in de geregistreerde pandakten van 2 en 14 oktober 1992 slechts een verwijzing opgenomen naar niet-geregistreerde pandlijsten (d.w.z. een computeruitdraai van de debiteurenportefeuille van de pandgever) waarop de verpande vorderingen staan vermeld.
De vraag naar de geldigheid van deze wijze van verpanden op zichzelf wordt door de curator terecht niet opnieuw aan de orde gesteld. Wat partijen verdeeld houdt is de vraag of een als gebrekkig te kwalificeren wijze waarop een vordering op een pandlijst is verwerkt, met zich meebrengt dat deze vordering niet voldoende door de pandakte wordt bepaald, zodat niet is voldaan aan de vereisten die aan de vestiging van een pandrecht op een vordering worden gesteld.
Het antwoord op de vraag wanneer de pandakte de vordering in voldoende mate bepaalt, is uiteraard niet in het algemeen te geven, maar zal afhangen van de omstandigheden van het geval. De stelling van de curator dat het enkele feit dat de pandakte of de pandlijst een vergissing bevat (zodat de precieze aard van de vordering niet uitsluitend aan de hand van die lijst kan worden bepaald), uitsluit dat de verpanding geldig is, vindt geen steun in het recht. Die stelling sluit noch aan bij de wet noch bij de uitspraak van Uw Raad. Geenszins is uitgesloten dat voor de bepaling van de verpande vordering(en) te rade kan worden gegaan bij gegevens buiten de pandakte en de pandlijst, met name bij de boekhoudingen waarop de pandlijsten zijn gebaseerd. Die boekhoudingen zijn ook van belang indien geen vergissingen zijn gemaakt, bijv. teneinde het adres van de (in de pandlijst alleen bij naam aangeduide) debiteur dan wel nadere gegevens omtrent de vordering op het spoor te komen. Van die boekhoudingen wordt in het arrest van 14 oktober 1994 dan ook melding gemaakt.
In het onderhavige geval poogt het middel dit terugvallen op de onderliggende boekhouding van de pandgever bij de beantwoording van de voormelde vraag uit te sluiten. Veel van de klachten van de curator kunnen worden herleid tot het betoog dat in het algemeen uitsluitend de pandakte en de pandlijst waarnaar deze akte verwijst, en hoogstens eventuele bescheiden waarnaar akte of lijst expliciet verwijzen, een rol mogen spelen bij de beoordeling van de voldoende bepaaldheid van een verpande vordering. zie in deze zin Ophof in zijn hierboven aangehaalde beschouwing. Aangezien deze rechtsklacht m.i. op de voormelde gronden onjuist is en de motiveringsklachten geen uitvoerige weerlegging behoeven ('s hofs arrest is deugdelijk gemotiveerd), kan de behandeling van het cassatiemiddel kort zijn.
8) De motiveringsklacht van onderdeel 1.1 mist zowel feitelijke grondslag als belang, omdat het hof immers de door het onderdeel bedoelde vraag (had Lagero een vordering op Ehco en is deze rechtsgeldig aan de bank verpand?) heeft beantwoord.
De klacht van onderdeel 1.2 miskent dat het hof heeft geoordeeld dat de bedoelde vordering in de lijsten is verwerkt, en dat de wijze waarop dit is geschied duidelijk wordt indien men de computerlijsten beschouwt in samenhang met gegevens uit Lagero's boekhouding. Dit feitelijke oordeel is geenszins onbegrijpelijk.
De klachten van onderdeel 1.3 falen ten dele omdat zij een voortbouwend karakter hebben, en voor het overige bij gebreke van feitelijk grondslag, omdat het hof niet heeft geoordeeld dat de bank reeds ten tijde van de verpanding wist om welke vordering het ging. Blijkens het geciteerde arrest van Uw Raad is dat ook niet nodig. Het tijdstip waarop Ehco van de verpanding wist is voor de geldigheid van de verpanding niet van belang; het hof doelt uiteraard op de wetenschap van Ehco in verband met het bepalen van de verpande vordering.
De klacht van onderdeel 1.4 faalt omdat niet valt in te zien in welk opzicht r.o. 4.3.3 onbegrijpelijk zou zijn.
Onderdeel 1.5 mist belang, aangezien het voor 's hofs beslissing niet uitmaakt of het hof het bedoelde feit als vaststaand aanmerkt of bij wege van veronderstelling aanneemt.
De klacht van onderdeel 2.1 bouwt voort op - en faalt op dezelfde grond als - onderdeel 1.4.
De klachten van onderdeel 2.2 falen op de gronden, uiteengezet in nr. 7.
Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,