Civiel recht overig

Hoge Raad · Cassatie · Civiel recht overig

Hoge Raad, 18 januari 2002

Zaakgegevens

Op 18 januari 2002 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
18 januari 2002
Datum publicatie
4 april 2013
Zaaknummer
C00/113HR
Procedure
Cassatie
Advocaat
mr. R.M Hermans, mr. J.W.H. van Wijk
ECLI
ECLI:NL:HR:2002:AD7328
E-mail

Samenvatting

Voor deze uitspraak is nog geen samenvatting beschikbaar.

Procesgang

  1. Hoge Raad · 18 januari 2002deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2002:AD7328

  2. Conclusie A-G · 18 januari 2002

    ECLI:NL:PHR:2002:AD7328

Uitspraak

18 januari 2002

Eerste Kamer

Nr. C00/113HR

SB

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[Eiser], wonende te [woonplaats],

EISER tot cassatie,

advocaat: mr. R.M. Hermans,

t e g e n

[Verweerder], wonende te [woonplaats],

VERWEERDER in cassatie,

advocaat: mr. J.W.H. van Wijk.

1. Het geding in feitelijke instanties

Verweerder in cassatie - verder te noemen: [verweerder] - heeft bij exploit van 12 juni 1997 eiser tot cassatie - verder te noemen: [eiser] - en DSH Beleggingsmaatschappij gedagvaard voor de Rechtbank te 's-Hertogenbosch en gevorderd [eiser] en DSH, des dat indien de een betaald heeft de ander zal zijn gekweten, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad en op de minuut te veroordelen tot betaling aan [verweerder] binnen tien dagen na betekening van het te dezen te wijzen vonnis van de somma van ƒ 25.376,42,-- netto alsmede het netto-equivalent van ƒ 31.572,-- bruto vermeerderd met de wettelijke rente daarover, ingaande de datum van beslaglegging tot aan de datum van algehele voldoening.

Bij conclusie van repliek heeft [verweerder] zijn eis vermeerderd en betaling gevorderd van ƒ 34.947,12,-- netto en het netto equivalent van ƒ 51.112,57,-- bruto.

[Eiser] en DSH hebben de vordering bestreden.

De Rechtbank heeft bij vonnis van 26 februari 1999 [verweerder] zijn vordering ontzegd.

Tegen dit vonnis heeft [verweerder] hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch.

Bij arrest van 29 december 1999 heeft het Hof het bestreden vonnis vernietigd en, opnieuw rechtdoende,

het gevorderde tegen DSH afgewezen;

[Eiser] veroordeeld binnen tien dagen na betekening van dit arrest tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [verweerder] te voldoen een bedrag van ƒ 16.341,35 netto alsmede het netto-equivalent van ƒ 46.070,80 bruto, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 juni 1997 tot aan de dag der voldoening.

Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het Hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

[Verweerder] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Plaatsvervangend Procureur-Generaal strekt tot verwerping van het beroep, met veroordeling van eiser in de kosten.

3. Beoordeling van het middel

De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep;

veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op € 359,48 aan verschotten en € 1.365,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president G.G. van Erp Taalman Kip-Nieuwenkamp als voorzitter en de raadsheren A.E.M. van der Putt-Lauwers, H.A.M. Aaftink, A.G. Pos en P.C. Kop, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 18 januari 2002.