Civiel recht overig
Hoge Raad · Cassatie · Civiel recht overig
Hoge Raad, 5 april 2002
ECLI:NL:HR:2002:AE1088 · Hoge Raad · 5 april 2002
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/civiel-recht/civiel-recht-overig/cassatie/ecli-nl-hr-2002-ae1088
Zaakgegevens
Op 5 april 2002 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 5 april 2002
- Datum publicatie
- 4 april 2013
- Zaaknummer
- C00/206HR
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. P.J.L.J Duijsens, aanvankelijk mr. F.M Wachter
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2002:AE1088
Samenvatting
Voor deze uitspraak is nog geen samenvatting beschikbaar.
Procesgang
Hoge Raad · 5 april 2002deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2002:AE1088
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 5 april 2002
ECLI:NL:PHR:2002:AE1088
Uitspraak
5 april 2002
Eerste Kamer
Nr. C00/206HR
SB
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
DE ONDERLINGE VERZEKERINGSMAATSCHAPPIJ AVÉRO SCHADE U.A., gevestigd te Leeuwarden,
EISERES tot cassatie,
advocaat: mr. P.J.L.J. Duijsens,
t e g e n
[Verweerder], wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
advocaat: aanvankelijk mr. F.M. Wachter,
thans mr. R.F. Thunnissen.
1. Het geding in feitelijke instanties
Verweerder in cassatie - verder te noemen: [verweerder] - heeft bij exploit van 14 april 1994 eiseres tot cassatie - verder te noemen: Avéro - gedagvaard voor de Rechtbank te Leeuwarden en gevorderd Avéro te veroordelen om aan [verweerder] te betalen een bedrag van ƒ 243.513,42, te vermeerderen met een aanvullend bedrag voor kosten en honorarium van de raadsman van [verweerder], met de wettelijke rente van die bedragen vanaf de dag der dagvaarding tot aan die der voldoening.
Avéro heeft de vordering bestreden.
De Rechtbank heeft na een tussenvonnis van 27 maart 1996 bij tussenvonnis van 26 februari 1997 de zaak naar de rol verwezen voor akte aan de zijde van [verweerder]. Nadat partijen een akte hadden genomen heeft de Rechtbank bij eindvonnis van 30 juli 1997 de vordering afgewezen.
Tegen de vonnissen van de Rechtbank van 26 februari 1997 en 30 juli 1997 heeft [verweerder] hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Leeuwarden. In hoger beroep heeft [verweerder] zijn eis vermeerderd tot ƒ 288.455,50 te verhogen met de wettelijke rente.
Het Hof heeft na een tussenarrest van 14 juli 1999, waarbij [verweerder] in de gelegenheid is gesteld stukken over te leggen, bij eindarrest van 5 april 2000 de vonnissen waarvan beroep, vernietigd en, opnieuw rechtdoende, Avéro veroordeeld tot betaling aan [verweerder] van een bedrag groot ƒ 249.990,50, te vermeerderen met de wettelijke rente over ƒ 229.990,50 vanaf 6 april 1994 tot de dag der voldoening en over ƒ 20.000,-- vanaf 15 juli 1998.
Het eindarrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het eindarrest van het Hof heeft Avéro beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
[Verweerder] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Plaatsvervangend Procureur-Generaal strekt tot verwerping van het beroep, met veroordeling van Avéro in de kosten.
3. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt Avéro in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op € 2.247,60 in totaal, waarvan € 2.154,58 op de voet van art. 243 Rv. te voldoen aan de Griffier, en € 93,02 te voldoen aan [verweerder].
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.E.M. van der Putt-Lauwers, als voorzitter, H.A.M. Aaftink en O. de Savornin Lohman, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 5 april 2002.