Civiel recht overig
Hoge Raad · Cassatie · Civiel recht overig
Hoge Raad, 7 juni 2002
ECLI:NL:HR:2002:AE3784 · Hoge Raad · 7 juni 2002
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/civiel-recht/civiel-recht-overig/cassatie/ecli-nl-hr-2002-ae3784
Zaakgegevens
Op 7 juni 2002 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 7 juni 2002
- Datum publicatie
- 4 april 2013
- Zaaknummer
- C00/270HR
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. R.Th.R.F Carli, aanvankelijk mr. R Overeem
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2002:AE3784
Samenvatting
Voor deze uitspraak is nog geen samenvatting beschikbaar.
Procesgang
Hoge Raad · 7 juni 2002deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2002:AE3784
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 7 juni 2002
ECLI:NL:PHR:2002:AE3784
Uitspraak
7 juni 2002
Eerste Kamer
Nr. C00/270HR
AP
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Eiser], wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. R.Th.R.F. Carli,
t e g e n
STICHTING INRICHTING VAN DIAKONESSEN IN NEDERLAND, gevestigd te Utrecht,
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: aanvankelijk mr. R. Overeem, thans mr. G.C. Makkink.
1. Het geding in feitelijke instanties
Eiser tot cassatie - verder te noemen: [eiser] - heeft bij exploit van 29 september 1995 verweerster in cassatie - verder te noemen: het Ziekenhuis - gedagvaard voor de Rechtbank te Utrecht en gevorderd te verklaren voor recht dat het Ziekenhuis aansprakelijk is wegens een gemaakte medische fout en het Ziekenhuis te veroordelen de materiële en immateriële schade van [eiser] te betalen zoals op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.
Het Ziekenhuis heeft de vordering bestreden.
De Rechtbank heeft bij tussenvonnis van 19 maart 1997 het Ziekenhuis in de gelegenheid gesteld bewijs te leveren van hetgeen dienaangaande onder rov. 4.9 van haar vonnis is vermeld en iedere verdere beslissing aangehouden. Na getuigenverhoor heeft de Rechtbank bij eindvonnis van 25 november 1998 het Ziekenhuis veroordeeld tot schadevergoeding aan [eiser], nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.
Tegen beide vonnissen van de Rechtbank heeft het Ziekenhuis hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam.
Bij arrest van 30 maart 2000, waarin het Hof onder meer heeft overwogen dat het aan [eiser] is bewijs te leveren, heeft het Hof de zaak naar de rol verwezen voor akte uitlating aan de zijde van [eiser] en bepaald dat het Ziekenhuis daarop, desgewenst, zal kunnen reageren.
Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het Hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Het Ziekenhuis heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal F.B. Bakels strekt tot verwerping van het beroep, met veroordeling van [eiser] in de kosten.
3. Beoordeling van de middelen
De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van het Ziekenhuis begroot op € 286,88 aan verschotten en € 1.365,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.E.M. van der Putt-Lauwers, als voorzitter, H.A.M. Aaftink en O. de Savornin Lohman, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 7 juni 2002.