Civiel recht overig
Hoge Raad · Cassatie · Civiel recht overig
Hoge Raad, 4 oktober 2002
ECLI:NL:HR:2002:AE4551 · Hoge Raad · 4 oktober 2002
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/civiel-recht/civiel-recht-overig/cassatie/ecli-nl-hr-2002-ae4551
Zaakgegevens
Op 4 oktober 2002 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 4 oktober 2002
- Datum publicatie
- 4 april 2013
- Zaaknummer
- C01/333HR
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. R.Th.R.F Carli, mr. E. Grabandt
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2002:AE4551
Samenvatting
Voor deze uitspraak is nog geen samenvatting beschikbaar.
Procesgang
Hoge Raad · 4 oktober 2002deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2002:AE4551
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 4 oktober 2002
ECLI:NL:PHR:2002:AE4551
Uitspraak
4 oktober 2002
Eerste Kamer
Nr. C01/333HR
JMH
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Eiser], wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. R.Th.R.F. Carli,
t e g e n
[Verweerder], wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
advocaat: mr. E. Grabandt.
1. Het geding in voorgaande instanties
Voor het verloop van het geding tot dusver verwijst de Hoge Raad naar zijn arrest van 2 oktober 1998, nr. 16622, NJ 1999, 2.
Bij dat arrest heeft de Hoge Raad het arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 18 december 1996 vernietigd en het geding naar het Gerechtshof te Arnhem verwezen ter verdere behandeling en beslissing.
Nadat [eiser] [verweerder] bij exploit had opgeroepen heeft hij bij memorie na verwijzing zijn subsidiaire vordering vermeerderd tot een bedrag van ƒ 293.030,60 te vermeerderen met rente en kosten.
[Verweerder] heeft zich tegen deze vermeerdering van eis verzet.
Bij rolbeschikking van 10 april 2001 heeft het Hof het verzet tegen de wijziging van eis ongegrond verklaard. Vervolgens heeft het Hof bij arrest van 24 juli 2001 het tussen partijen gewezen vonnis van de Rechtbank te Breda van 4 oktober 1994, voor zover in hoger beroep aan het oordeel van het Hof onderworpen, vernietigd. Opnieuw rechtdoende heeft het Hof [verweerder] veroordeeld tot betaling aan [eiser] van het bedrag van ƒ 47.730,60, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 25 november 1994. Het meer of anders gevorderde heeft het Hof afgewezen.
Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het Hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
[Verweerder] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal F.B. Bakels strekt tot verwerping van het beroep, met veroordeling van [eiser] in de kosten.
3. Beoordeling van de middelen
De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op € 3.529,14 aan verschotten en € 1.365,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vice-president P. Neleman als voorzitter en de raadsheren H.A.M. Aaftink, A.G. Pos, O. de Savornin Lohman en P.C. Kop, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 4 oktober 2002.