Civiel recht overig
Gesteld wordt dat art. 7:23 lid 1 eist dat de daar bedoelde kennisgeving binnen bekwame tijd moet worden…
Hoge Raad, 13 juni 2003
ECLI:NL:HR:2003:AF7883 · Hoge Raad · 13 juni 2003
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/civiel-recht/civiel-recht-overig/cassatie/ecli-nl-hr-2003-af7883
Zaakgegevens
Op 13 juni 2003 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 13 juni 2003
- Datum publicatie
- 4 april 2013
- Zaaknummer
- C01/239HR
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. L.A van der Niet, mr. E Grabandt
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2003:AF7883
Samenvatting
Gesteld wordt dat art. 7:23 lid 1 eist dat de daar bedoelde kennisgeving binnen bekwame tijd moet worden gedaan nadat de koper 'heeft ontdekt of redelijkerwijs had behoren te ontdekken' dat hetgeen is afgeleverd niet aan de overeenkomst beantwoordt.
Procesgang
Hoge Raad · 13 juni 2003deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2003:AF7883
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 13 juni 2003
ECLI:NL:PHR:2003:AF7883
Uitspraak
13 juni 2003
Eerste Kamer
Nr. C01/239HR
JMH
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
1. [Eiser 1], en
2. [Eiseres 2],
beiden wonende te [woonplaats],
EISERS tot cassatie,
advocaat: mr. L.A. van der Niet,
t e g e n
1. [Verweerder 1],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
advocaat: mr. E. Grabandt,
e n
2. [Verweerster 2],
wonende te [woonplaats],
VERWEERSTER in cassatie,
niet verschenen.
1. Het geding in feitelijke instanties
Verweerders in cassatie - verder afzonderlijk te noemen: [verweerder 1] en [verweerster 2], dan wel gezamenlijk: [verweerder] c.s. - hebben bij exploit van 30 maart 1999 eisers tot cassatie - verder te noemen: [eiser] c.s. - gedagvaard voor de Rechtbank te Breda en gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [eiser] c.s. te veroordelen om aan [verweerder] c.s. te betalen een bedrag van ƒ 157.000,-- althans een in goede justitie te bepalen bedrag, vermeerderd met een bedrag aan bijkomende kosten, nader op te maken bij staat, alsmede een bedrag van ƒ 2.500,-- aan buitengerechtelijke incassokosten, alle bedragen vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 22 december 1998, subsidiair vanaf de dag der dagvaarding.
[Eiser] c.s. hebben de vordering bestreden.
De Rechtbank heeft bij tussenvonnis van 23 november 1999 een deskundigenonderzoek gelast, twee deskundigen benoemd, een aantal vragen geformuleerd, en iedere verdere beslissing aangehouden.
Tegen dit tussenvonnis hebben [eiser] c.s. hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch.
Bij tussenarrest van 2 november 2000 heeft het Hof de zaak naar de rol verwezen voor akte aan de zijde van [verweerder] c.s. Bij eindarrest van 5 april 2001 heeft het Hof voormeld vonnis van de Rechtbank te Breda bekrachtigd en de zaak naar die Rechtbank voor verdere behandeling verwezen.
Beide arresten van het Hof zijn aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen beide arresten van het Hof hebben [eiser] c.s. beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
[Verweerder 1] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. Tegen [verweerster 2] is verstek verleend.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten en voor [verweerder 1] mede door mr. J.P. Heering, advocaat bij de Hoge Raad.
De conclusie van de Procureur-Generaal strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van de middelen
De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] c.s. in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] c.s. begroot op € 885,88 aan verschotten en € 1.365,-- voor salaris en aan de zijde van [verweerster 2] op nihil.
Dit arrest is gewezen door de vice-president G.G. van Erp Taalman Kip-Nieuwenkamp als voorzitter en de raadsheren H.A.M. Aaftink, D.H. Beukenhorst, A. Hammerstein en F.B. Bakels, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.B. Bakels op 13 juni 2003.