Civiel recht overig
Onrechtmatige daad van een waterschap jegens bollenkwekers door waterpeil in een vorstperiode dusdanig te…
Hoge Raad, 9 december 2005
ECLI:NL:HR:2005:AU2410 · Hoge Raad · 9 december 2005
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/civiel-recht/civiel-recht-overig/cassatie/ecli-nl-hr-2005-au2410
Zaakgegevens
Op 9 december 2005 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 9 december 2005
- Datum publicatie
- 4 april 2013
- Zaaknummer
- C04/272HR
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. P.J.L.J Duijsens, mr. D. Rijpma
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2005:AU2410
Samenvatting
Onrechtmatige daad van een waterschap jegens bollenkwekers door waterpeil in een vorstperiode dusdanig te verhogen dat schade kon ontstaan aan wortels van door hen geteelde bolgewassen?, waarschuwingsplicht van het waterschap?; 81 RO.
Procesgang
Hoge Raad · 9 december 2005deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2005:AU2410
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 9 december 2005
ECLI:NL:PHR:2005:AU2410
Uitspraak
9 december 2005
Eerste Kamer
Nr. C04/272HR
RM/JMH
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
1. [eiseres 1], gevestigd te [vestigingsplaats],
2. [eiseres 2], gevestigd te [vestigingsplaats],
EISERESSEN tot cassatie,
advocaat: mr. P.J.L.J. Duijsens,
t e g e n
de publiekrechtelijke rechtspersoon WATERSCHAP DE OUDE RIJNSTROMEN (voorheen Waterschap de Veen en Geestlanden), gevestigd te Leiderdorp,
VERWEERDER in cassatie,
advocaat: mr. D. Rijpma.
1. Het geding in feitelijke instanties
Eiseressen tot cassatie - verder te noemen: [eiseres] c.s. - hebben bij exploot van 2 mei 1995 verweerder in cassatie - verder te noemen: het Waterschap - gedagvaard voor de rechtbank te 's-Gravenhage en gevorderd het Waterschap te veroordelen tot schadevergoeding, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, en het Waterschap te veroordelen tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten.
Het Waterschap heeft de vordering bestreden.
Na een ingevolge een tussenvonnis van 21 november 1995 op 9 januari 1996 gehouden comparitie van partijen heeft de rechtbank bij eindvonnis van 16 april 1997 de vorderingen van [eiseres] c.s. afgewezen.
Tegen het eindvonnis van de rechtbank hebben [eiseres] c.s. hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Gravenhage.
Bij tussenarrest van 14 februari 2002 heeft het hof [eiseres] c.s. tot bewijslevering toegelaten. Na getuigenverhoor heeft het hof het vonnis waarvan hoger beroep bekrachtigd.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof hebben [eiseres] c.s. beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Het Waterschap heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L.A.D. Keus strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiseres] c.s. in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van het Waterschap begroot op € 359,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.B. Fleers als voorzitter en de raadsheren O. de Savornin Lohman, A.M.J. van Buchem-Spapens, P.C. Kop en W.D.H. Asser, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 9 december 2005.