Civiel recht overig

Onrechtmatige overheidsdaad. Geschil tussen de Staat en een in Duitsland werkzame en ook daar woonachtige…

Hoge Raad, 3 november 2006

Zaakgegevens

Op 3 november 2006 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
3 november 2006
Datum publicatie
5 april 2013
Zaaknummer
C05/248HR
Procedure
Cassatie
Advocaat
mr. P Garretsen, mr. M.J. Schenck
ECLI
ECLI:NL:HR:2006:AY4032
E-mail

Samenvatting

Onrechtmatige overheidsdaad. Geschil tussen de Staat en een in Duitsland werkzame en ook daar woonachtige piloot over de rechtmatigheid van handelen van de Staat door een belastingaanslag op te leggen en na bezwaar te handhaven om later alsnog daaraan tegemoet te komen (81 RO).

Procesgang

  1. Hoge Raad · 3 november 2006deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2006:AY4032

  2. Conclusie A-G · 3 november 2006

    ECLI:NL:PHR:2006:AY4032

Uitspraak

3 november 2006

Eerste Kamer

Nr. C05/248HR

MK

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[Eiser],

wonende te [woonplaats], Duitsland,

EISER tot cassatie,

advocaat: mr. P. Garretsen,

t e g e n

DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Financiën),

zetelende te 's-Gravenhage,

VERWEERDER in cassatie,

advocaat: mr. M.J. Schenck.

1. Het geding in feitelijke instanties

Eiser tot cassatie - verder te noemen: [eiser] - heeft bij exploot van 16 augustus 2001 verweerder in cassatie - verder te noemen: de Staat - gedagvaard voor de rechtbank te 's-Gravenhage en gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, de Staat te veroordelen om aan [eiser] te betalen een bedrag van ƒ 700.000,--, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 16 juli 1992 tot aan de dag der algehele voldoening, met veroordeling van de Staat in de proceskosten.

De Staat heeft de vordering bestreden.

De rechtbank heeft bij vonnis van 27 november 2002 de vorderingen afgewezen en [eiser] in de proceskosten veroordeeld.

Tegen het vonnis heeft [eiser] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Gravenhage.

Bij arrest van 24 maart 2005 heeft het hof het vonnis van de rechtbank bekrachtigd en [eiser] in de kosten van het geding in hoger beroep veroordeeld.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staat heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor [eiser] toegelicht door haar advocaat en voor de Staat namens zijn advocaat door mrs. M. Ynzonides en C.L. van Meer.

De conclusie van de Advocaat-Generaal P.J. Wattel strekt tot verwerping van het beroep.

De advocaat van [eiser] heeft bij brief van 27 juli 2006 op die conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van de middelen

De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Staat begroot op € 5.802,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.B. Fleers als voorzitter en de raadsheren O. de Savornin Lohman, P.C. Kop, F.B. Bakels en W.D.H. Asser, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer W.D.H. Asser op 3 november 2006.