Civiel recht overig

Verbintenissenrecht. Geschil tussen schuldeiser en schuldenaar over bestaan van overeenkomst van geldlening…

Hoge Raad, 24 november 2006

Zaakgegevens

Op 24 november 2006 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
24 november 2006
Datum publicatie
5 april 2013
Zaaknummer
C05/175HR
Procedure
Cassatie
Advocaat
mr. M.A Koot, mr. M Kloppenburg
ECLI
ECLI:NL:HR:2006:AZ0420
E-mail

Samenvatting

Verbintenissenrecht. Geschil tussen schuldeiser en schuldenaar over bestaan van overeenkomst van geldlening en echtheid van handtekeningen op een schuldbekentenis (81 RO).

Procesgang

  1. Hoge Raad · 24 november 2006deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2006:AZ0420

  2. Conclusie A-G · 24 november 2006

    ECLI:NL:PHR:2006:AZ0420

Uitspraak

24 november 2006

Eerste Kamer

Nr. C05/175HR

RM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[Eiser],

wonende te [woonplaats],

EISER tot cassatie,

advocaat: mr. M.A. Koot,

t e g e n

1. [Verweerder 1],

wonende te [woonplaats],

VERWEERDER in cassatie,

advocaat: mr. M. Kloppenburg,

2. [Verweerster 2],

wonende te [woonplaats],

VERWEERSTER in cassatie,

niet verschenen.

1. Het geding in feitelijke instanties

Eiser tot cassatie - verder te noemen: [eiser] - heeft bij exploot van 2 oktober 2000 verweerder in cassatie sub 1 - verder te noemen: [verweerder 1] - gedagvaard voor de rechtbank te Haarlem en, kort gezegd, gevorderd [verweerder 1] te veroordelen aan [eiser] de som van ƒ 199.704,69 te betalen, te vermeerderen met rente en kosten.

Bij incidentele conclusie heeft verweerster in cassatie sub 2 - verder te noemen: [verweerster 2] - gevorderd te worden toegelaten als tussenkomende partij. [Verweerder 1] heeft zich ten aanzien van dit verzoek gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank; [eiser] heeft zich verzet tegen toewijzing van de incidentele vordering van [verweerster 2].

Bij tussenvonnis van 15 mei 2001 heeft de rechtbank [verweerster 2] toegelaten als tussenkomende partij in de hoofdzaak.

Hierna hebben [verweerder 1] en [verweerster 2] in de hoofdzaak afzonderlijk de vordering bestreden.

Bij tussenvonnis van 10 juli 2001 heeft de rechtbank een comparitie van partijen gelast, welke comparitie op 19 november 2001 heeft plaatsgevonden. Bij tussenvonnis van 12 februari 2002 heeft de rechtbank een deskundigenonderzoek bevolen, daartoe vragen geformuleerd en een deskundige bevolen. Na deskundigenbericht, verder processueel debat en een tussenvonnis van 22 oktober 2002, heeft de rechtbank bij eindvonnis van 26 februari 2003 de vordering afgewezen.

Tegen dit eindvonnis heeft [eiser] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Gravenhage.

Bij arrest van 17 maart 2005 heeft het hof het vonnis waarvan beroep bekrachtigd.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

[Verweerder 1] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. Tegen [verweerster 2] is verstek verleend.

De zaak is voor [eiser] en [verweerder 1] toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal E.M. Wesseling-van Gent strekt tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van het middel

De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder 1] begroot op € 1.171,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris en aan de zijde van [verweerster 2] begroot op nihil.

Dit arrest is gewezen door de raadsheren H.A.M. Aaftink, als voorzitter, J.C. van Oven en W.D.H. Asser, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 24 november 2006.