Civiel recht overig

Procesrecht. Afwijzing verzoek opnieuw medebrenging te bevelen van niet verschenen getuige; 172 Rv. (81 RO)

Hoge Raad, 11 april 2008

Zaakgegevens

Op 11 april 2008 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
11 april 2008
Datum publicatie
5 april 2013
Zaaknummer
C06/352HR
Procedure
Cassatie
Advocaat
mr. P Garretsen, mr. R.S. Meijer
ECLI
ECLI:NL:HR:2008:BC4491
E-mail

Samenvatting

Procesrecht. Afwijzing verzoek opnieuw medebrenging te bevelen van niet verschenen getuige; 172 Rv. (81 RO)

Procesgang

  1. Hoge Raad · 11 april 2008deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2008:BC4491

  2. Conclusie A-G · 11 april 2008

    ECLI:NL:PHR:2008:BC4491

Uitspraak

11 april 2008

Eerste Kamer

Nr. C06/352HR

IV/AG

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[Eiser],

wonende te [woonplaats],

EISER tot cassatie,

advocaat: mr. P. Garretsen,

t e g e n

de naamloze vennootschap SNS BANK N.V.,

gevestigd te Utrecht,

VERWEERSTER in cassatie,

advocaat: mr. R.S. Meijer.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en SNS.

1. Het geding in feitelijke instanties

De rechtsvoorgangster van SNS, SNS Bank Gelderland N.V., heeft bij exploot van 10 december 2001 [eiser] en Lederwaren & Byouterie Italia B.V. (verder te noemen: Italia) gedagvaard voor de rechtbank te Arnhem en gevorderd, kort gezegd, betaling door [eiser] van een bedrag van € 29.868,96, alsmede betaling door Italia van een bedrag van € 18.507,87, een en ander vermeerderd met rente en kosten.

Stuart en Italia hebben de vorderingen bestreden.

Na wijziging van eis door SNS heeft de rechtbank bij tussenvonnis van 29 januari 2003 [eiser] en Italia toegelaten tot bewijslevering.

De rechtbank heeft na gehouden getuigenverhoren en wisseling van stukken bij eindvonnis van 15 oktober 2003 de (gewijzigde) vordering van SNS toegewezen.

Tegen de vonnissen van de rechtbank van 29 januari 2003 en 15 oktober 2003 hebben [eiser] en Italia hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Arnhem.

Bij tussenarrest van 19 oktober 2004 heeft het hof [eiser] en Italia niet-ontvankelijk verklaard in hun beroep tegen het vonnis van de rechtbank van 29 januari 2003 en voor het overige [eiser] en Italia toegelaten tot bewijslevering.

Bij tussenarrest van 15 november 2005 heeft het hof de zaak naar de rol verwezen. Bij eindarrest van 13 juni 2006 heeft het hof het vonnis van de rechtbank van 15 oktober 2003 bekrachtigd.

De arresten van het hof van 15 november 2005 en 13 juni 2006 zijn aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen de arresten van het hof van 15 november 2005 en 13 juni 2006 heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

SNS heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal E.M. Wesseling-van Gent strekt tot verwerping van het beroep.

De advocaat van [eiser] heeft bij brief van 29 februari 2008 op die conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van de middelen

De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van SNS begroot op € 1.166,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, A. Hammerstein en J.C. van Oven, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 11 april 2008.