Civiel recht overig
Arbeidsrecht. Ontslag op staande voet in verband met werkverzuim; dringende reden. (81 RO)
Hoge Raad, 14 maart 2008
ECLI:NL:HR:2008:BC6698 · Hoge Raad · 14 maart 2008
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/civiel-recht/civiel-recht-overig/cassatie/ecli-nl-hr-2008-bc6698
Zaakgegevens
Op 14 maart 2008 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 14 maart 2008
- Datum publicatie
- 5 april 2013
- Zaaknummer
- C06/309HR
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. H.J.W Alt, mr. J.P. Heering
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2008:BC6698
Samenvatting
Arbeidsrecht. Ontslag op staande voet in verband met werkverzuim; dringende reden. (81 RO)
Procesgang
Hoge Raad · 14 maart 2008deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2008:BC6698
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 14 maart 2008
ECLI:NL:PHR:2008:BC6698
Uitspraak
14 maart 2008
Eerste Kamer
Nr. C06/309HR
IV/AG
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Eiser],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. H.J.W. Alt,
t e g e n
[Verweerster],
gevestigd te [vestigingsplaats],
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: mr. J.P. Heering.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en [verweerster].
1. Het geding in feitelijke instanties
[Eiser] heeft bij exploot van 26 april 2002 [verweerster] gedagvaard voor de rechtbank Rotterdam (sector kanton) en gevorderd, kort gezegd, voor recht te verklaren dat het hem met ingang van 19 november 2001 gegeven ontslag nietig is, alsmede [verweerster] te veroordelen tot voldoening van een aantal geldvorderingen over de periode vanaf 19 november 2001.
[Verweerster] heeft de vordering bestreden.
De kantonrechter heeft, na [eiser] bij tussenvonnis van 20 augustus 2002 tot bewijslevering te hebben toegelaten, bij eindvonnis van 4 maart 2003 de vorderingen van [eiser] afgewezen.
Tegen beide vonnissen van de kantonrechter heeft [eiser] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Gravenhage.
Na een tussenarrest van 27 mei 2005 waarbij [verweerster] tot bewijslevering is toegelaten, heeft het hof bij eindarrest van 4 augustus 2006 het eindvonnis van de kantonrechter bekrachtigd.
Beide arresten van het hof zijn aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen zowel het tussen- als het eindarrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
[Verweerster] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Wuisman strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De advocaat van [eiser] heeft bij brief van 16 januari 2008 op die conclusie gereageerd.
3. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerster] begroot op € 367,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, A. Hammerstein en J.C. van Oven, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 14 maart 2008.