Civiel recht overig
Erfrecht; afgewezen verzoek van erfgename tegen executeur-testamentair tot verschaffen van inlichtingen en…
Hoge Raad, 5 september 2008
ECLI:NL:HR:2008:BD4161 · Hoge Raad · 5 september 2008
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/civiel-recht/civiel-recht-overig/cassatie/ecli-nl-hr-2008-bd4161
Zaakgegevens
Op 5 september 2008 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 5 september 2008
- Datum publicatie
- 5 april 2013
- Zaaknummer
- C07/143HR
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. R.K van der Brugge, mr. J. van Duijvendijk-Brand
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2008:BD4161
Samenvatting
Erfrecht; afgewezen verzoek van erfgename tegen executeur-testamentair tot verschaffen van inlichtingen en het afleggen van rekening en verantwoording (81 RO).
Procesgang
Gerechtshof 's-Gravenhage · 7 december 2006
ECLI:NL:GHSGR:2006:AZ3676Hoge Raad · 5 september 2008deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2008:BD4161
Bekrachtiging/bevestigingBekrachtigingDe hogere rechter laat de eerdere uitspraak in stand: de uitkomst blijft hetzelfde.Meer uitleg
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 5 september 2008
ECLI:NL:PHR:2008:BD4161
Uitspraak
5 september 2008
Eerste Kamer
Nr. C07/143HR
EV/TT
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[De dochter],
wonende te [woonplaats],
EISERES tot cassatie,
advocaat: mr. R.K. van der Brugge,
t e g e n
[De moeder],
wonende te [woonplaats],
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: mr. J. van Duijvendijk-Brand.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de dochter en de moeder.
1. Het geding in feitelijke instanties
De dochter heeft op 5 april 2005 een verzoekschrift ingediend bij de rechtbank 's-Gravenhage, sector kanton, en daarbij verzocht, kort gezegd, de moeder, die in het testament van haar overleden echtgenoot tot executeur is benoemd, te verplichten tot het verschaffen van de door de dochter gewenste inlichtingen dan wel rekening en verantwoording af te leggen over de verschillende adviezen van de adviseurs van de moeder en de daarop betrekkende declaraties, voor zover de dochter daar nog niet over beschikt.
De moeder heeft een verweerschrift ingediend.
De kantonrechter heeft, na mondelinge behandeling, de dochter bij beschikking van 12 juli 2005 niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek.
Tegen deze beschikking heeft de dochter hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Gravenhage.
Bij arrest van 6 december 2006 heeft het hof de beschikking van de kantonrechter vernietigd voor zover de dochter niet-ontvankelijk is verklaard in haar verzoek en, opnieuw rechtdoende, het verzochte afgewezen.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft de dochter beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De moeder heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van de middelen
De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt de dochter in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de moeder begroot op € 371,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A. Hammerstein, als voorzitter, O. de Savornin Lohman en W.D.H. Asser, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 5 september 2008.