Civiel recht overig

Huurrecht. Geschil tussen gemeente en verhuurder van mobiele schoollokalen over vergoeding van de schade als…

Hoge Raad, 5 september 2008

Zaakgegevens

Op 5 september 2008 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
5 september 2008
Datum publicatie
5 april 2013
Zaaknummer
C07/057HR
Procedure
Cassatie
Advocaat
mr. M.L Kleyn, mr. M.W. Scheltema
ECLI
ECLI:NL:HR:2008:BD4379
E-mail

Samenvatting

Huurrecht. Geschil tussen gemeente en verhuurder van mobiele schoollokalen over vergoeding van de schade als gevolg van het door brand verloren van lokalen; verzekeringsplicht (81 RO).

Procesgang

  1. Hoge Raad · 5 september 2008deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2008:BD4379

  2. Conclusie A-G · 5 september 2008

    ECLI:NL:PHR:2008:BD4379

Uitspraak

5 september 2008

Eerste Kamer

C07/057HR

RM/MD

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[Eiseres],

gevestigd te [vestigingsplaats],

EISERES tot cassatie,

advocaat: mr. M.L. Kleyn,

t e g e n

de GEMEENTE BREUKELEN,

gevestigd te Breukelen,

VERWEERSTER in cassatie,

advocaat: mr. M.W. Scheltema.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiseres] en de Gemeente.

1. Het geding in feitelijke instanties

[Eiseres] heeft bij exploot van 10 april 2003 de Gemeente gedagvaard voor de rechtbank Utrecht en gevorderd, kort gezegd, de Gemeente te veroordelen tot betaling van € 263.192,52, met rente en kosten, een en ander uit hoofde van een tussen partijen gesloten huurovereenkomst ter zake van mobiele schoollokalen.

De Gemeente heeft de vordering bestreden.

Nadat de rechtbank bij vonnis van 3 december 2003 de zaak ambtshalve naar de kantonrechter had verwezen, heeft de kantonrechter te Utrecht bij vonnis van

26 mei 2004 de vordering afgewezen.

Tegen het vonnis van de kantonrechter heeft [eiseres] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. Na een tussenarrest van 16 juni 2005, waarbij partijen tot bewijslevering zijn toegelaten en getuigenverhoren, heeft het hof bij eindarrest van 9 november 2006 het vonnis van de kantonrechter vernietigd, doch uitsluitend voor wat betreft de afwijzing van de vordering van [eiseres] tot betaling door de Gemeente van de BTW - en de wettelijke rente daarover - over het bedrag van ƒ 35.000,-- ter zake van de opruimingskosten. In zoverre opnieuw rechtdoende heeft het hof de Gemeente veroordeeld aan [eiseres] een geldsom te van € 3.017,64 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente. Het hof heeft voorts het vonnis waarvan beroep voor het overige bekrachtigd en het meer of anders gevorderde afgewezen.

De arresten van het hof zijn aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen beide arresten van het hof heeft [eiseres] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Gemeente heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Wuisman strekt tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van de middelen

De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt [eiseres] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Gemeente begroot op € 5.987,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de raadsheren O. de Savornin Lohman, als voorzitter, F.B. Bakels en W.D.H. Asser, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 5 september 2008.