Civiel recht overig
Procesrecht.Wijziging van partneralimentatie; vervolg op HR 16 maart 2007, nr. R06/014, NJ 2007, 307; geding…
Hoge Raad, 10 juli 2009
ECLI:NL:HR:2009:BI4193 · Hoge Raad · 10 juli 2009
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/civiel-recht/civiel-recht-overig/cassatie/ecli-nl-hr-2009-bi4193
Zaakgegevens
Op 10 juli 2009 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 10 juli 2009
- Datum publicatie
- 5 april 2013
- Zaaknummer
- 08/02694
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. P Garretsen, mr. E. van Staden ten Brink
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2009:BI4193
Samenvatting
Procesrecht.Wijziging van partneralimentatie; vervolg op HR 16 maart 2007, nr. R06/014, NJ 2007, 307; geding na verwijzing; beëindiging alimentatieverplichting op termijn, verzuim van appelrechter in dictum mogelijkheid van verlenging te vermelden (art. II lid 2 WLA) is onmiskenbare vergissing die zich voor eenvoudig herstel leent (vgl. 31 Rv.); belang in cassatie.
Procesgang
Uitspraak · 2008
ECLI:NL:GHAMS:2008:BF9223Hoge Raad · 10 juli 2009deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2009:BI4193
Meerdere afhandelingswijzen
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 10 juli 2009
ECLI:NL:PHR:2009:BI4193
Uitspraak
10 juli 2009
Eerste Kamer
08/02694
RM/MD
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[De vrouw],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKSTER tot cassatie,
advocaat: mr. P. Garretsen,
t e g e n
[De man],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
advocaat: mr. E. van Staden ten Brink.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de vrouw en de man.
1. Het geding in voorgaande instanties
Voor het verloop van het geding in voorgaande instanties verwijst de Hoge Raad naar zijn beschikking van 16 maart 2007, nr. R06/014, NJ 2007, 307. Bij die beschikking heeft de Hoge Raad de beschikking van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 16 november 2005 vernietigd en het geding naar het gerechtshof te Amsterdam verwezen ter verdere behandeling en beslissing.
Na mondelinge behandeling heeft het gerechtshof te Amsterdam bij beschikking van 20 maart 2008 de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 25 juni 2004 vernietigd en bepaald - met dienovereenkomstige wijziging van de beschikking van 3 april 1995 van de rechtbank Rotterdam - dat de man met ingang van 30 augustus 2006 tot 20 maart 2008 als bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw zal betalen € 830,-- per vier weken en met ingang van 20 maart 2008 € 139,-- per vier weken, met bepaling dat de alimentatieverplichting van de man zal eindigen op 1 augustus 2011. Het hof heeft zijn beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het in hoger beroep meer of anders verzochte afgewezen.
De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.
2. Het tweede geding in cassatie
Tegen voornoemde beschikking van het hof heeft de vrouw beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De man heeft bij verweerschrift verzocht het beroep te verwerpen en tevens incidenteel beroep ingesteld. De vrouw heeft geen verweerschrift in het incidenteel beroep ingediend. Het cassatierekest en het verweerschrift, tevens houdende incidenteel cassatieberoep, zijn aan deze beschikking gehecht en maken daarvan deel uit.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Strikwerda strekt ertoe
in het principaal beroep:
dat de Hoge Raad het beroep zal verwerpen;
in het incidentele beroep:
dat de Hoge Raad zal verstaan dat de verlenging van de door het hof vastgestelde termijn aan de verplichting van de man om aan de vrouw enige bijdrage tot haar levensonderhoud te verstrekken na ommekomst daarvan niet mogelijk is.
3. Beoordeling van het middel in het principale beroep
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beoordeling van het middel in het incidentele beroep
Het middel klaagt dat het hof heeft verzuimd het tweede lid van art. II van de Wet limitering alimentatie na scheiding (Stb. 1994, 324 en 325) volledig toe te passen, aangezien in het dictum van de beschikking niet is vermeld of verlenging van de door het hof vastgestelde termijn na ommekomst daarvan al dan niet mogelijk is.
Deze klacht is gegrond. Zij kan echter niet tot cassatie leiden, omdat het hier om een onmiskenbare vergissing gaat, die zich voor eenvoudig herstel leent. Uit de rechtsoverwegingen van het hof blijkt duidelijk dat het hof heeft bedoeld dat verlenging van de vastgestelde termijn niet mogelijk is. Immers, in rov. 3.11 overweegt het hof dat naar zijn oordeel eigenlijk het primaire verzoek van de man toegewezen zou moeten worden, maar dat dit om verschillende redenen achterwege moet blijven, en dat het daarom de eerder door het hof te 's-Gravenhage getroffen regeling zal volgen. Deze regeling hield in dat de alimentatieverplichting van de man op termijn wordt beëindigd via een gefaseerde afbouwregeling en dat verlenging van de vastgestelde termijn na ommekomst daarvan niet mogelijk is.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
in het principale beroep:
verwerpt het beroep;
in het incidentele beroep:
verstaat dat verlenging van de door het hof vastgestelde termijn aan de verplichting van de man om aan de vrouw enige bijdrage tot haar levensonderhoud te verstrekken na ommekomst daarvan op 1 augustus 2011 niet mogelijk is.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president J.B. Fleers als voorzitter en de raadsheren O. de Savornin Lohman, J.C. van Oven, F.B. Bakels en C.A. Streefkerk, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 10 juli 2009.