Civiel recht overig
Procesrecht. Bewijskracht van art. 164 lid 2 Rv. niet van toepassing op de getuigenverklaring van een partij…
Hoge Raad, 18 december 2009
ECLI:NL:HR:2009:BK0088 · Hoge Raad · 18 december 2009
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/civiel-recht/civiel-recht-overig/cassatie/ecli-nl-hr-2009-bk0088
Zaakgegevens
Op 18 december 2009 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 18 december 2009
- Datum publicatie
- 5 april 2013
- Zaaknummer
- 08/00744
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. P.J.L.J. Duijsens
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2009:BK0088
Samenvatting
Procesrecht. Bewijskracht van art. 164 lid 2 Rv. niet van toepassing op de getuigenverklaring van een partij die is toegelaten tot tegenbewijs tegen een onderhandse schuldbekentenis. (81 RO).
Procesgang
Hoge Raad · 18 december 2009deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2009:BK0088
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 18 december 2009
ECLI:NL:PHR:2009:BK0088
Uitspraak
18 december 2009
Eerste Kamer
08/00744
EE/MD
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Eiser],
wonende te [woonplaats], Verenigde Staten van Amerika,
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. P.J.L.J. Duijsens,
t e g e n
[Verweerder],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en [verweerder].
1. Het geding in feitelijke instanties
[Eeiser] heeft bij exploot van 28 december 2001 [verweerder] gedagvaard voor de rechtbank te Middelburg en gevorderd, kort gezegd, [verweerder] te veroordelen om aan [eiser] te betalen een bedrag van ƒ 36.413,-- (€ 16.523,50), met rente en kosten.
[Verweerder] heeft de vordering bestreden.
Na een tussenvonnis van 6 november 2002 en getuigenverhoren, heeft de rechtbank bij eindvonnis van 16 juni 2004 de vordering van [eiser] afgewezen.
Tegen het eindvonnis van de rechtbank heeft [eiser] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Gravenhage.
Bij arrest van 22 november 2007 heeft het hof het vonnis van de rechtbank bekrachtigd.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Tegen [verweerder] is verstek verleend.
De zaak is voor [eiser] toegelicht door zijn advocaat.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Strikwerda strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A. Hammerstein, als voorzitter, F.B. Bakels en W.D.H. Asser, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 18 december 2009.