Civiel recht overig
Schadestaatprocedure. Art. 6:97, 106 BW. Kwalificatie van gederfd woongenot als vermogensschade of als…
Hoge Raad, 25 maart 2011
ECLI:NL:HR:2011:BP1410 · Hoge Raad · 25 maart 2011
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/civiel-recht/civiel-recht-overig/cassatie/ecli-nl-hr-2011-bp1410
Zaakgegevens
Op 25 maart 2011 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 25 maart 2011
- Datum publicatie
- 5 april 2013
- Zaaknummer
- 09/04058
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. P.J.L.J Duijsens, mr. D.M. de Knijff
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2011:BP1410
Samenvatting
Schadestaatprocedure. Art. 6:97, 106 BW. Kwalificatie van gederfd woongenot als vermogensschade of als immaterieel nadeel? Uitleg stellingen. (81 RO)
Procesgang
Hoge Raad · 25 maart 2011deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2011:BP1410
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 25 maart 2011
ECLI:NL:PHR:2011:BP1410
Uitspraak
25 maart 2011
Eerste kamer
09/04058
DV/MD
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Eiser],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. P.J.L.J. Duijsens,
t e g e n
[Verweerster], als rechtsopvolger onder algemene titel van [A] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats],
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: mr. D.M. de Knijff.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en [verweerster].
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de vonnissen in de zaak met rolnummer 96/4133 van de rechtbank 's-Gravenhage van 29 oktober 1997, 1 april 1998 en 29 maart 2000;
b. de arresten in de zaak 105.000.275/01 van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 27 juni 2001, 11 december 2002, 3 juli 2007 en 19 mei 2009.
De arresten van het hof zijn aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de arresten van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
[Verweerster] heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring, althans verwerping van het beroep.
De zaak is voor [eiser] toegelicht door zijn advocaat en voor [verweerster] door mr. A. van Staden ten Brink, advocaat bij de Hoge Raad.
De conclusie van de Advocaat-Generaal M.H. Wissink strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van eiser in zijn cassatieberoep voor zover zich dat richt tegen de arresten van 27 juni 2001 en 11 december 2002 en tot verwerping voor het overige.
3. Beoordeling van het middel
Het middel richt geen klachten tegen de tussenarresten van het hof van 27 juni 2001 en 11 december 2002, zodat het beroep in casatie in zoverre niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart [eiser] niet-ontvankelijk in zijn beroep tegen de arresten van 27 juni 2001 en 11 december 2002;
verwerpt het beroep voor het overige;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerster] begroot op € 916,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A. Hammerstein, als voorzitter, W.D.H. Asser en C.E. Drion, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 25 maart 2011.