Civiel recht overig
Voogdijkwestie. In appel niet-verschenen maar door hof wel als belanghebbende aangemerkte persoon in cassatie…
Hoge Raad, 1 juni 2012
ECLI:NL:HR:2012:BV8216 · Hoge Raad · 1 juni 2012
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/civiel-recht/civiel-recht-overig/cassatie/ecli-nl-hr-2012-bv8216
Zaakgegevens
Op 1 juni 2012 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 1 juni 2012
- Datum publicatie
- 5 april 2013
- Zaaknummer
- 11/03153
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. R.W van den Hoek, mr. J. van Duijvendijk-Brand
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2012:BV8216
Samenvatting
Voogdijkwestie. In appel niet-verschenen maar door hof wel als belanghebbende aangemerkte persoon in cassatie als verschenen belanghebbende te beschouwen. Art. 426b Rv; termijnbepaling door HR.
Procesgang
Rechtbank 's-Gravenhage · 11 maart 2010
ECLI:NL:RBSGR:2010:BM2880Gerechtshof 's-Gravenhage · 13 april 2011
ECLI:NL:GHSGR:2011:BQ2937Bekrachtiging/bevestigingBekrachtigingDe hogere rechter laat de eerdere uitspraak in stand: de uitkomst blijft hetzelfde.Meer uitleg
Hoge Raad · 1 juni 2012deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2012:BV8216
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 1 juni 2012
ECLI:NL:PHR:2012:BV8216
Uitspraak
1 juni 2012
Eerste Kamer
11/03153
DV/MD
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
1. [Verzoeker 1],
2. [Verzoekster 2],
beiden wonende te [woonplaats],
VERZOEKERS tot cassatie,
advocaat: mr. R.W. van den Hoek,
t e g e n
1. DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING, REGIO ROTTERDAM RIJNMOND, LOCATIE ROTTERDAM,
gevestigd te Rotterdam,
2. DE STICHTING BUREAU JEUGDZORG ZUID-HOLLAND,
gevestigd te 's-Gravenhage,
VERWEERDERS in cassatie,
advocaat: mr. J. van Duijvendijk-Brand.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [verzoeker] c.s., de Raad en BJZ.
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de beschikkingen in de zaak 334600 van de rechtbank 's-Gravenhage van 10 juni 2009, 19 oktober 2009 en 11 maart 2010;
b. de beschikking in de zaak 200.068.764/01 van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 13 april 2011.
De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van het hof hebben [verzoeker] c.s. beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Raad en BJZ hebben verzocht het beroep te verwerpen.
De conclusie van de Advocaat-Generaal J.L.R.A. Huydecoper strekt ertoe dat de zaak wordt aangehouden opdat de moeder van [de minderjarige] alsnog in de gelegenheid kan worden gesteld haar zienswijze kenbaar te maken.
3. Beantwoording van de vraag of de biologische moeder van de minderjarige alsnog in de gelegenheid moet worden gesteld een verweerschrift in te dienen
3.1 De zaak betreft een verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming om te voorzien in de voogdij over de minderjarige [de minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2008 te [geboorteplaats] (Polen), hierna te noemen de minderjarige.
3.2 Uit de beschikking van het hof blijkt dat het hof aan de biologische moeder van de minderjarige, [de biologische moeder], wonende te [woonplaats], Polen, op 26 januari 2011 een aangetekende brief heeft doen sturen waarin haar werd gevraagd om aan het hof te berichten of zij gehoord wilde worden, dan wel haar mening per brief kenbaar te maken. Daarop is van de zijde van de biologische moeder een brief in de Poolse taal bij het hof ingekomen. Nadien ontving het hof een Nederlandse vertaling van deze brief. Het hof heeft blijkens de aanhef van zijn beschikking de biologische moeder van de minderjarige als belanghebbende aangemerkt en bij zijn beslissing acht geslagen op de inhoud van haar brieven.
3.3 Onder deze omstandigheden moet de biologische moeder, aan wie de griffier geen afschrift van het verzoekschrift in cassatie heeft toegezonden, op een lijn worden gesteld met een verschenen belanghebbende.
Aan haar behoort dan ook alsnog een afschrift van dat verzoekschrift te worden toegezonden, met vermelding van de in art. 426b Rv. bedoelde termijn. De Hoge Raad zal voor dit geval een langere dan de in de wet bepaalde termijn voor de indiening van een verweerschrift vaststellen.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
draagt de griffier op om alsnog een afschrift van het verzoekschrift in cassatie alsmede een afschrift van de conclusie van de Procureur-Generaal toe te zenden aan [de biologische moeder] en daarbij te vermelden dat zij binnen een termijn van twee maanden na verzending van die afschriften een door een advocaat bij de Hoge Raad getekend verweerschrift ter griffie van de Hoge Raad kan indienen;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president J.B. Fleers als voorzitter en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, J.C. van Oven, W.D.H. Asser en A.H.T. Heisterkamp, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer J.C. van Oven op 1 juni 2012.