Civiel recht overig
Nationaliteit. Verzoek tot vaststelling Nederlanderschap; “belanghebbende” in de zin van art. 18 lid 2 RWN…
Hoge Raad, 25 mei 2012
ECLI:NL:HR:2012:BV9961 · Hoge Raad · 25 mei 2012
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/civiel-recht/civiel-recht-overig/cassatie/ecli-nl-hr-2012-bv9961
Zaakgegevens
Op 25 mei 2012 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 25 mei 2012
- Datum publicatie
- 5 april 2013
- Zaaknummer
- 11/03822
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- Advocaat
- aanvankelijk mr. P Garretsen, mr. R Aboukir
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2012:BV9961
Samenvatting
Nationaliteit. Verzoek tot vaststelling Nederlanderschap; “belanghebbende” in de zin van art. 18 lid 2 RWN; maatstaf (vgl. HR 10 november 2006, LJN AY8290, NJ 2007/45).
Procesgang
Hoge Raad · 25 mei 2012deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2012:BV9961
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 25 mei 2012
ECLI:NL:PHR:2012:BV9961
Uitspraak
25 mei 2012
Eerste Kamer
11/03822
EE/AS
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[Verzoeker],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
advocaat: aanvankelijk mr. P. Garretsen, thans mr. K. Aantjes,
t e g e n
1. [Verweerster 1],
verblijvende in Nederland,
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: mr. R. Aboukir,
2. DE STAAT DER NEDERLANDEN (MINISTERIE VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKSRELATIES, IMMIGRATIE- EN NATURALISATIEDIENST),
zetelende 's-Gravenhage,
VERWEERDER in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [verzoeker], [verweerster 1] en de Staat.
1. Het geding in feitelijke instantie
Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar de beschikking in de zaak 375277/HA RK 10-467 van de rechtbank 's-Gravenhage van 19 mei 2011.
De beschikking van de rechtbank is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van de rechtbank heeft [verzoeker] beroep in cassatie ingesteld.
Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
[Verweerster 1] heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van [verzoeker]. De Staat heeft geen verweerschrift ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal P. Vlas strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van [verzoeker] als verzoeker tot cassatie.
3. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) [De dochter] is op [geboortedatum] 2009 in Egypte geboren als dochter van [verweerster 1] en [verzoeker]. [Verweerster 1], de moeder van [de dochter], heeft de Egyptische nationaliteit, [verzoeker] de Nederlandse.
(ii) Bij beschikking van 17 mei 2010 heeft de rechtbank 's-Gravenhage voor recht verklaard dat de huwelijksakte van [verweerster 1] en [verzoeker], inhoudende dat zij op 11 juni 2008 te Cairo, Egypte, met elkaar zijn gehuwd, overeenkomstig de plaatselijke voorschriften door een bevoegde instantie is opgemaakt en naar haar aard vatbaar is voor opneming in een Nederlands register van de burgerlijke stand.
3.2 [Verweerster 1] heeft in haar hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordigster van de minderjarige [de dochter] op 5 september 2010 op de voet van art. 17 van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN) de rechtbank verzocht vast te stellen dat [de dochter] vanaf 20 juni 2009 in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit. De rechtbank heeft dit verzoek toegewezen.
3.3.1 Vooropgesteld wordt dat [verzoeker] in zijn cassatieverzoekschrift heeft vermeld dat in cassatie de beschikking van de rechtbank van 17 mei 2010 tot uitgangspunt moet worden genomen. Daarin is geoordeeld dat de in Egypte opgemaakte huwelijksakte moet worden erkend en vatbaar is voor opneming in een Nederlands register van de burgerlijke stand. Op grond hiervan heeft de rechtbank in de bestreden beschikking terecht aangenomen dat [verzoeker] de vader van [de dochter] is in de zin van art. 1 lid 1, aanhef en onder d, RWN. De thans in cassatie ingenomen stelling van [verzoeker] dat hij niet met [verweerster 1] is gehuwd (geweest) en dat hij niet de vader van [de dochter] is, moet derhalve worden gepasseerd.
3.3.2 Bij de beantwoording van de vraag of [verzoeker] ontvankelijk is in zijn beroep, is het volgende van belang. Ingevolge art. 18 lid 2 RWN staat beroep in cassatie open voor belanghebbenden. De RWN bepaalt echter niet wie als belanghebbende kan worden aangemerkt. Blijkens de wetsgeschiedenis van de RWN zoals weergegeven in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 2.2-2.3, zijn op een procedure als de onderhavige, die wordt ingeleid met een verzoekschrift, de regels van de verzoekschriftprocedure van art. 261 e.v. Rv. van toepassing. Ook in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is niet in het algemeen bepaald wie als belanghebbende kan worden aangemerkt.
3.3.3 Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad moet het antwoord op de vraag of iemand als belanghebbende kan worden aangemerkt, worden afgeleid uit de aard van de procedure en de daarmee verband houdende wetsbepalingen. Daarbij zal een rol spelen in hoeverre iemand door de uitkomst van de desbetreffende procedure zodanig in een eigen belang kan worden getroffen dat hij daarin behoort te mogen opkomen ter bescherming van dat belang, of in hoeverre hij anderszins zo nauw betrokken is of is geweest bij het onderwerp dat in de procedure wordt behandeld dat daarin een belang is gelegen om in de procedure te verschijnen (vgl. HR 10 november 2006, LJN AY8290, NJ 2007/45).
3.3.4 Gelet op de hiervoor vermelde maatstaf moet worden aangenomen dat [verzoeker] in deze procedure niet als belanghebbende kan worden aangemerkt. De vaststelling van het Nederlanderschap van [de dochter] treft [verzoeker] niet zodanig in een eigen belang dat hij in deze procedure ter bescherming daarvan behoort te mogen opkomen.
De nationaliteit van [de dochter] is immers niet bepalend bij het vaststellen van de familierechtelijke betrekkingen tussen [de dochter] en [verzoeker], en evenmin bij kwesties met betrekking tot ouderlijk gezag en alimentatie.
Ook overigens zijn door [verzoeker] geen omstandigheden gesteld die meebrengen dat hij een eigen belang heeft om in deze procedure te verschijnen. [Verzoeker] moet derhalve niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn beroep.
4. Beslissing
De Hoge Raad verklaart [verzoeker] niet-ontvankelijk in zijn beroep.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, C.A. Streefkerk en M.A. Loth, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer J.C. van Oven op 25 mei 2012.