Civiel recht overig
Verdeling huwelijksgoederengemeenschap, gelijk aandeel echtgenoten, art. 1:100 BW. Afwijking hoofdregel…
Hoge Raad, 22 november 2013
ECLI:NL:HR:2013:1393 · Hoge Raad · 22 november 2013
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/civiel-recht/civiel-recht-overig/cassatie/ecli-nl-hr-2013-1393
Zaakgegevens
Op 22 november 2013 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 22 november 2013
- Datum publicatie
- 21 november 2013
- Zaaknummer
- 12/04506
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. H.J.W. Alt
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2013:1393
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Verdeling huwelijksgoederengemeenschap, gelijk aandeel echtgenoten, art. 1:100 BW. Afwijking hoofdregel, onaanvaardbaarheid verdeling bij helfte, zeer uitzonderlijke omstandigheden, maatstaven van redelijkheid en billijkheid (vgl. HR 30 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV1749, NJ 2012/407 en HR 20 september 2013, ECLI:NL:HR2013:CA3748).
Procesgang
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 6 september 2013
ECLI:NL:PHR:2013:786Hoge Raad · 22 november 2013deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2013:1393
Conclusie gevolgdGevolgd of contrair‘Gevolgd’: de Hoge Raad besliste zoals de advocaat-generaal adviseerde. ‘Contrair’: hij besliste anders.Meer uitleg
Gerechtshof Amsterdam · 5 augustus 2014
ECLI:NL:GHAMS:2014:3118
Uitspraak
22 november 2013
Eerste Kamer
nr. 12/04506
EV/EE
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[de man],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
advocaat: mr. H.J.W. Alt,
t e g e n
[de vrouw],
wonende te [woonplaats],
VERWEERSTER in cassatie,
advocaten: mr. D.M. de Knijff en mr. A. van Staden ten Brink.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de man en de vrouw.
1 Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de vonnissen in de zaak 217753/HA ZA 04-1588 van de rechtbank Rotterdam van 27 juli 2005, 21 juni 2006 en 29 april 2009;
b. de arresten in de zaak 200.038.348 van het gerechtshof te ’s-Gravenhage van 16 augustus 2011 en 27 maart 2012.
De arresten van het hof zijn aan dit arrest gehecht.
2 Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof van 27 maart 2012 heeft de man beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De vrouw heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten en voor de man mede door mr. S. Kousedghi, advocaat bij de Hoge Raad.
De conclusie van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot verwijzing van de zaak naar een ander gerechtshof.
De advocaat van de vrouw heeft bij brief van 20 september 2013 op die conclusie gereageerd.
3 Beoordeling van het middel
Partijen waren in algehele gemeenschap van goederen gehuwd. Tussen hen is bij beschikking van 11 december 2002 echtscheiding uitgesproken, welke beschikking op 17 januari 2003 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
Het gaat in de onderhavige procedure om de verdeling van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap (hierna: gemeenschap). In hoger beroep is het hof uitgegaan van 1 december 2000 als de peildatum voor de vaststelling van de omvang en waardering van de gemeenschap. Met betrekking tot de toedeling van de op die datum bestaande schulden van de door de man gedreven eenmanszaak overwoog het hof in rov. 17:
“In het onderhavige geval acht het hof het redelijk en billijk dat indien alle activa behorende tot [naam eenmanszaak] aan de man worden toegedeeld, hij gehouden is alle schulden met betrekking tot de exploitatie van deze onderneming als eigen schulden te voldoen en de vrouw ter zake die schulden te vrijwaren. Het hof acht dit redelijk aangezien de man met de activa gedurende een reeks van jaren een kasstroom heeft kunnen genereren nu hij zelf heeft gesteld dat hij de onderneming heeft voortgezet.”.
Tegen dit oordeel richten zich de klachten van onderdeel 2.1-(1). Zij nemen tot uitgangspunt dat het hof van een onjuiste rechtsopvatting is uitgegaan, althans zijn oordeel ontoereikend heeft gemotiveerd.
Bij de beoordeling van de klachten wordt het volgende vooropgesteld. Ingevolge art. 1:100 BW hebben de echtgenoten in beginsel een gelijk aandeel in de ontbonden gemeenschap, zodat die gemeenschap bij helfte dient te worden verdeeld. Afgezien van de in de wet reeds genoemde gevallen, is een afwijking van deze regel niet geheel uitgesloten. Zij kan evenwel slechts worden aangenomen in zeer uitzonderlijke omstandigheden, die meebrengen dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn dat de ene echtgenoot zich jegens de andere beroept op een verdeling bij helfte van de ontbonden gemeenschap (vgl. HR 30 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV1749, NJ 2012/407 en HR 20 september 2013, ECLI:NL:HR2013:CA3748).
De klachten slagen. Uit de hiervoor in 3.2 aangehaalde overweging blijkt niet dat het hof de hiervoor in 3.3.2 vermelde maatstaf voor afwijking van de verdeling bij helfte in acht heeft genomen, zodat het hetzij van een onjuiste rechtsopvatting is uitgegaan, hetzij zijn beslissing ontoereikend heeft gemotiveerd. Dit brengt mee dat het bestreden arrest niet in stand kan blijven en dat de overige klachten van het middel geen behandeling behoeven.
4 Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt het arrest van het gerechtshof te ’s-Gravenhage van 27 maart 2012;
verwijst het geding naar het gerechtshof Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing;
compenseert de kosten van het geding in cassatie aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, A.H.T. Heisterkamp en C.E. Drion, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.A. Loth op 22 november 2013.