Civiel recht overig
Schadevordering jegens tandarts wegens toerekenbaar tekortschieten. Motiveringsklacht, in aanmerking nemen…
Hoge Raad, 31 januari 2014
ECLI:NL:HR:2014:217 · Hoge Raad · 31 januari 2014
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/civiel-recht/civiel-recht-overig/cassatie/ecli-nl-hr-2014-217
Zaakgegevens
Op 31 januari 2014 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 31 januari 2014
- Datum publicatie
- 31 januari 2014
- Zaaknummer
- 13/00875
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2014:217
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Schadevordering jegens tandarts wegens toerekenbaar tekortschieten. Motiveringsklacht, in aanmerking nemen van essentiële omstandigheid.
Procesgang
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 1 november 2013
ECLI:NL:PHR:2013:1148Hoge Raad · 31 januari 2014deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2014:217
Conclusie gevolgdGevolgd of contrair‘Gevolgd’: de Hoge Raad besliste zoals de advocaat-generaal adviseerde. ‘Contrair’: hij besliste anders.Meer uitleg
Uitspraak
31 januari 2014
Eerste Kamer
nr. 13/00875
TT/EE
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
1. [eiseres 1],
2. [eiser 2],
beiden wonende te [woonplaats],
EISERS tot cassatie,
advocaten: mr. B.J. van Dorp en mr. S. Kousedghi,
t e g e n
[verweerster],
gevestigd te [vestigingsplaats],
VERWEERSTER in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eisers] en [verweerster].
1 Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de vonnissen in de zaak 114825/HA ZA 06-1041 van de rechtbank Maastricht van 18 juli 2007, 1 oktober 2008, 9 december 2009 en 29 juni 2011;
b. het arrest in de zaak 200.091.917/01 van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 23 oktober 2012.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2 Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof hebben [eisers] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Tegen [verweerster] is verstek verleend.
De zaak is voor [eisers] toegelicht door zijn advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Wuisman strekt tot vernietiging van het bestreden arrest.
3 Beoordeling van het middel
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) Eiseres tot cassatie onder 1 (hierna: [eiseres 1]) heeft in de periode van december 2003 tot en met januari 2004 een uitgebreide sanering van haar gebit ondergaan op grond van een met [verweerster] gesloten geneeskundige behandelingsovereenkomst. De sanering bestond eruit dat op het ondergebit kronen zijn geplaatst en op het bovengebit gouden kappen met (uitneembare) frameprotheses.
(ii) Doordat [eiseres 1] een ernstige vorm van tandartsenangst had, was haar gebit slecht bijgehouden. Bovendien moest vanwege die angst het merendeel van de door [verweerster] uitgevoerde handelingen plaatsvinden onder volledige narcose.
(iii) Na uitvoering van de tandheelkundige aanpassingen bleek bij [eiseres 1] sprake te zijn van een onjuiste beethoogte in die zin dat de lengte van de tanden in de boven- en onderkaak te groot was. Daardoor werden bijten, kauwen, spreken en slikken belemmerd. Na vergeefs pogingen te hebben gedaan om het probleem met bijslijpen te verhelpen, heeft [verweerster] [eiseres 1] verwezen naar een ziekenhuis voor verdere behandeling. Daar heeft tandarts [de tandarts 1] na de vaststelling dat de beethoogte 5 mm te hoog was, die hoogte verlaagd.
[eisers] hebben in dit geding gevorderd [verweerster] te veroordelen tot betaling aan [eiseres 1] van een bedrag van € 7.000,-- voor vergoeding van immateriële schade, en tot betaling aan haar echtgenoot, eiser tot cassatie onder 2 (hierna: [eiser 2]) van een bedrag van € 1.309,96 wegens gemaakte reiskosten en gederfde vakantiedagen. [eisers] hebben aan hun vordering ten grondslag gelegd dat [verweerster] jegens [eiseres 1] is tekortgeschoten bij het uitvoeren van de tandheelkundige behandeling.
De rechtbank heeft [verweerster] veroordeeld tot betaling aan [eiseres 1] respectievelijk [eiser 2] van bedragen groot € 1.000,-- respectievelijk € 1.015,76.
Het heeft in rov. 4 vooropgesteld dat het enkele feit dat er na de behandeling van het gebit van [eiseres 1] door [verweerster] sprake was van een beethoogte die 5 mm afweek van de natuurlijke beethoogte, niet kan leiden tot de conclusie dat [verweerster] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de behandelingsovereenkomst, gegeven de concrete omstandigheden waaronder [verweerster] de behandelingen moest uitvoeren. Daarbij heeft het hof van belang geacht dat tandarts [de tandarts 1] als getuige heeft verklaard dat het bepalen van de juiste beethoogte een kwestie van proberen is, waarbij een beredeneerde keuze op basis van een afweging van uiterlijk en functie vereist is, hetgeen volgens [de tandarts 1] in de situatie van [eiseres 1] een tijdrovend proces zou zijn geweest. Gesteld noch gebleken is dat [verweerster] deze handelwijze niet heeft gevolgd, aldus het hof. Voorts heeft het hof betekenis gehecht aan het feit dat [verweerster] ervoor heeft gekozen om nog tijdens de behandeling [eiseres 1] door te verwijzen naar een – zoals [verweerster] heeft gesteld – nog meer gespecialiseerde tandarts, die alleen bijzondere tandheelkundige behandelingen uitvoert. Het hof heeft gewezen op het betoog van [eiseres 1] dat [verweerster] haar heeft doorverwezen op het moment waarop [verweerster] “ook niet meer [wist] wat te doen”, maar het hof is daaraan voorbijgegaan omdat [eiseres 1] niet heeft betwist dat de behandeling door [verweerster] ten tijde van de doorverwijzing nog niet was afgerond.
Na in rov. 5 nog een argument van [eisers] te hebben verworpen, heeft het hof in rov. 6 geoordeeld dat [verweerster] niet toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de behandelingsovereenkomst. Het hof heeft het eindvonnis van de rechtbank vernietigd en de vorderingen van [eisers] alsnog afgewezen.
Onderdeel 1 van het middel klaagt dat het hof ten onrechte heeft vooropgesteld dat het enkele feit dat na de behandeling door [verweerster] sprake was van een beethoogte die 5 mm afweek van de natuurlijke beethoogte, niet kan leiden tot de conclusie dat [verweerster] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de behandelingsovereenkomst. Het onderdeel betoogt dat het hof daarbij had moeten betrekken dat volgens [verweerster] de beet toen al dramatisch was ingeslepen.
Deze klacht slaagt. Nu het hof geen feiten heeft vastgesteld die afwijken van de door de rechtbank vastgestelde feiten, moet in cassatie uitgangspunt zijn dat, zoals de rechtbank in rov. 2.3.1 van haar eindvonnis heeft overwogen, sprake was van een afwijking van 5 mm nadat [verweerster] de beet “dramatisch” had ingeslepen zonder enige verbetering. Hieruit volgt dat de afwijking aanvankelijk aanzienlijk groter moet zijn geweest. Uit het arrest van het hof blijkt niet of het deze omstandigheid – die in ieder geval van essentieel belang is voor de beoordeling van de zorgvuldigheid van de behandeling door [verweerster] – in aanmerking heeft genomen bij zijn beoordeling of [verweerster] is tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichtingen uit de behandelingsovereenkomst. Aldus heeft het hof zijn beslissing ontoereikend gemotiveerd.
Het middel behoeft voor het overige geen behandeling.
4 Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt het arrest van het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch van 23 oktober 2012;
verwijst het geding naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden ter verdere behandeling en beslissing;
veroordeelt [verweerster] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiseres 1] begroot op € 483,-- aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren C.A. Streefkerk, als voorzitter, A.H.T. Heisterkamp en C.E. Drion, en in het openbaar uitgesproken door de vice-president F.B. Bakels op 31 januari 2014.