Civiel recht overig
WSNP. Ontnemen schone lei, art. 358a Fw. Is rechter-commissaris ‘belanghebbende’ die verzoek in de zin van…
Hoge Raad, 24 april 2015
ECLI:NL:HR:2015:1136 · Hoge Raad · 24 april 2015
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/civiel-recht/civiel-recht-overig/cassatie/ecli-nl-hr-2015-1136
Zaakgegevens
Op 24 april 2015 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 24 april 2015
- Datum publicatie
- 23 april 2015
- Zaaknummer
- 15/00188
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. J. van Weerden.
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2015:1136
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
WSNP. Ontnemen schone lei, art. 358a Fw. Is rechter-commissaris ‘belanghebbende’ die verzoek in de zin van art. 358a lid 1 Fw mag doen?
Procesgang
Rechtbank Gelderland · 31 oktober 2014
ECLI:NL:RBGEL:2014:8100Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 5 januari 2015
ECLI:NL:GHARL:2015:13Bekrachtiging/bevestigingBekrachtigingDe hogere rechter laat de eerdere uitspraak in stand: de uitkomst blijft hetzelfde.Meer uitleg
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 6 maart 2015
ECLI:NL:PHR:2015:191Hoge Raad · 24 april 2015deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2015:1136
Bekrachtiging/bevestigingBekrachtigingDe hogere rechter laat de eerdere uitspraak in stand: de uitkomst blijft hetzelfde.Meer uitleg · Conclusie gevolgdGevolgd of contrair‘Gevolgd’: de Hoge Raad besliste zoals de advocaat-generaal adviseerde. ‘Contrair’: hij besliste anders.Meer uitleg
Uitspraak
24 april 2015
Eerste Kamer
15/00188
LZ/EE
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[verzoeker],
wonende te [woonplaats], Duitsland,
VERZOEKER tot cassatie,
advocaat: mr. J. van Weerden.
Verzoeker zal hierna ook worden aangeduid als [verzoeker].
1 Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de vonnissen in de zaak 06/10/95 van de rechtbank Oost-Nederland van 6 maart 2013 en 31 oktober 2014;
b. het arrest in de zaak 200.159.172 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 5 januari 2015.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2 Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft [verzoeker] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Timmerman strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De advocaat van [verzoeker] heeft bij brief van 20 maart 2015 op die conclusie gereageerd.
3 Beoordeling van de middelen
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) Ten aanzien van [verzoeker] is bij vonnis van 22 maart 2010 de wettelijke schuldsaneringsregeling van toepassing verklaard.
(ii) Bij vonnis van 6 maart 2013 heeft de rechtbank vastgesteld dat [verzoeker] niet is tekortgeschoten in de nakoming van een of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen en is hem op de voet van art. 358 lid 1 Fw de schone lei verleend.
(iii) Op 5 augustus 2013 is de slotuitdelingslijst gedeponeerd. Tegen de gedeponeerde uitdelingslijst is geen verzet gedaan, zodat deze met ingang van 16 augustus 2013 verbindend is geworden en de toepassing van de schuldsaneringsregeling van rechtswege is geëindigd.
Na de beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling heeft de voormalig (waarnemend) rechter-commissaris aan de rechtbank een voordracht gedaan om te bepalen dat art. 358 lid 1 Fw verder geen toepassing vindt en dat [verzoeker] de schone lei wordt ontnomen. Daartoe heeft de rechter-commissaris aangevoerd dat [verzoeker] gedurende de periode waarin de wettelijke schuldsaneringsregeling op hem van toepassing was, heeft getracht zijn schuldeisers te benadelen.
De rechtbank heeft bepaald dat art. 358 lid 1 Fw verder geen toepassing vindt en dat [verzoeker] de schone lei wordt ontnomen.
Het hof heeft het vonnis van de rechtbank bekrachtigd.
Middel 1 klaagt dat het hof ten onrechte niet heeft onderzocht, dan wel ten onrechte (impliciet) positief heeft beantwoord, de van openbare orde zijnde vraag of de rechter-commissaris belanghebbende is in de zin van art. 358a Fw en aldus ontvankelijk is in de voordracht waarmee hij de onderhavige procedure heeft ingeleid.
In de beslissing van het hof ligt het oordeel besloten dat de voormalig rechter-commissaris bevoegd was om een voordracht aan de rechtbank te doen om [verzoeker] op de voet van art. 358a lid 1 Fw de schone lei te ontnemen. Dat oordeel is juist.
Uitgangspunt in het stelsel van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen, zoals neergelegd in titel III Fw, is dat schuldeisers en andere belanghebbenden erop mogen vertrouwen dat de schuldenaar gedurende de periode waarin op hem de schuldsaneringsregeling van toepassing is, de voor hem uit titel III Fw voortvloeiende verplichtingen naleeft. Het toezicht op die naleving wordt uitgeoefend door de bewindvoerder en de rechter-commissaris, zoals blijkt uit de wettelijke bepalingen vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 2.5-2.6.
Voorts is uitgangspunt in het stelsel van titel III Fw dat, indien blijkt dat de schuldenaar gedurende de periode waarin op hem de schuldsaneringsregeling van toepassing is of is geweest, tracht of heeft getracht zijn schuldeisers te benadelen, de toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt beëindigd, dan wel de inmiddels aan de schuldenaar verleende schone lei hem alsnog wordt ontnomen. Dit uitgangspunt is, voor zover hier van belang, aldus uitgewerkt dat, indien gedurende de periode waarin de schuldsaneringsregeling van toepassing is, blijkt dat de schuldenaar tracht zijn schuldeisers te benadelen, de rechter-commissaris ingevolge art. 350 lid 1 in verbinding met lid 3, aanhef en onder e, Fw bevoegd is om, zo nodig ambtshalve, aan de rechtbank een voordracht te doen om de toepassing van de schuldsaneringsregeling op die grond te beëindigen. Voorts is bepaald dat, indien eerst na de beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling waarbij aan de schuldenaar de schone lei is verleend, blijkt dat zich voordien feiten of omstandigheden hebben voorgedaan die grond zouden hebben opgeleverd voor de beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling omdat de schuldenaar heeft getracht zijn schuldeisers te benadelen, de rechter ingevolge art. 358a lid 1 Fw op verzoek van iedere belanghebbende kan bepalen dat art. 358 lid 1 Fw verder geen toepassing vindt, met als gevolg dat de schuldenaar de schone lei alsnog wordt ontnomen.
Het past in het hiervoor in 3.4.2 en 3.4.3 beschreven stelsel en strookt met de aan de rechter-commissaris opgedragen taken en bevoegdheden om aan te nemen dat de (voormalig) rechter-commissaris die na de beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling en de verlening van de schone lei constateert dat de schuldenaar gedurende de periode waarin de schuldsaneringsregeling van toepassing is geweest, heeft getracht zijn schuldeisers te benadelen als bedoeld in art. 350 lid 3, aanhef en onder e, Fw, de bevoegdheid toekomt om, zo nodig ambtshalve, een voordracht aan de rechtbank te doen om, op de voet van art. 358a lid 1 Fw, op de in art. 350 lid 3, aanhef en onder e, Fw genoemde grond de schuldenaar de schone lei te ontnemen.
Middel 1 faalt derhalve.
De klachten van de middelen 2 en 3 kunnen evenmin tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4 Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, C.E. Drion, M.V. Polak en T.H. Tanja-van den Broek, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 24 april 2015.