Civiel recht overig
Bopz. Voorlopige machtiging. Is betrokkene ‘kort tevoren’ onderzocht als bedoeld in art. 5 lid 1 Wet Bopz? HR…
Hoge Raad, 22 december 2017
ECLI:NL:HR:2017:3251 · Hoge Raad · 22 december 2017
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/civiel-recht/civiel-recht-overig/cassatie/ecli-nl-hr-2017-3251
Zaakgegevens
Op 22 december 2017 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 22 december 2017
- Datum publicatie
- 21 december 2017
- Zaaknummer
- 17/04515
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. G.E.M. Later
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2017:3251
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Bopz. Voorlopige machtiging. Is betrokkene ‘kort tevoren’ onderzocht als bedoeld in art. 5 lid 1 Wet Bopz? HR 23 mei 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC9346.
Procesgang
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 10 november 2017
ECLI:NL:PHR:2017:1400Hoge Raad · 22 december 2017deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2017:3251
Conclusie gevolgdGevolgd of contrair‘Gevolgd’: de Hoge Raad besliste zoals de advocaat-generaal adviseerde. ‘Contrair’: hij besliste anders.Meer uitleg
Uitspraak
22 december 2017
Eerste Kamer
17/04515
TT/AR
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[betrokkene],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
advocaat: mr. G.E.M. Later,
t e g e n
DE OFFICIER VAN JUSTITIE BIJ HET ARRONDISSEMENTSPARKET OOST-NEDERLAND,
VERWEERDER in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als betrokkene en de officier van justitie.
1 Het geding in feitelijke instantie
Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar de beschikking in de zaak C/05/318004/FA RK 17/973 van de rechtbank Gelderland van 22 juni 2017.
De beschikking van de rechtbank is aan deze beschikking gehecht.
2 Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van de rechtbank heeft betrokkene beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De officier van justitie heeft geen verweerschrift ingediend.
De conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot verwijzing van de zaak naar de rechtbank Gelderland.
3 Beoordeling van het middel
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) De officier van justitie heeft de rechtbank verzocht een voorlopige machtiging te verlenen ten aanzien van betrokkene. Bij het verzoekschrift was onder meer een geneeskundige verklaring gevoegd van 28 maart 2017.
(ii) De rechtbank heeft het verzoek mondeling behandeld op 19 april 2017. De behandeling is toen aangehouden en is voortgezet op 22 juni 2017. Daarbij waren onder meer betrokkene en zijn advocaat aanwezig.
(iii) De advocaat heeft blijkens het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 22 juni 2017 aangevoerd dat de geneeskundige verklaring verouderd is en heeft erop gewezen dat verschillende feiten en omstandigheden sinds 29 maart 2017 waren gewijzigd.
De rechtbank heeft de verzochte machtiging verleend.
Onderdeel 1.2 van het middel klaagt dat de rechtbank in haar beschikking ten onrechte is voorbijgegaan aan het verweer dat de geneeskundige verklaring verouderd is, althans haar beschikking onvoldoende heeft gemotiveerd.
Art. 5 lid 1 Wet Bopz houdt onder meer in dat de betrokkene ‘kort tevoren’ moet zijn onderzocht en dat de geneeskundige verklaring inzicht verschaft in de actuele situatie van de betrokkene. De rechter dient derhalve te oordelen op basis van de feiten en omstandigheden die zich voordoen ten tijde van zijn beslissing (vgl. HR 23 mei 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC9346). Nu de rechtbank in haar beschikking geen aandacht heeft besteed aan het hiervoor in 3.1 onder (iii) genoemde verweer en de daar bedoelde feiten en omstandigheden, is onderdeel 1.2 gegrond. Onderdeel 1.1 behoeft geen behandeling.
4 Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de beschikking van de rechtbank Gelderland van 22 juni 2017;
wijst het geding terug naar die rechtbank ter verdere behandeling en beslissing.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, M.J. Kroeze en C.H. Sieburgh, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer T.H. Tanja-van den Broek op 22 december 2017.