Civiel recht overig
Wet Bopz. Machtiging tot voortgezet verblijf. Art. 18 lid 1 Wet Bopz. Vraag of betrokkene verblijft in…
Hoge Raad, 24 april 2020
ECLI:NL:HR:2020:805 · Hoge Raad · 24 april 2020
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/civiel-recht/civiel-recht-overig/cassatie/ecli-nl-hr-2020-805
Zaakgegevens
Op 24 april 2020 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 24 april 2020
- Datum publicatie
- 23 april 2020
- Zaaknummer
- 20/00655
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- Advocaat
- G.E.M. Later
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2020:805
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Wet Bopz. Machtiging tot voortgezet verblijf. Art. 18 lid 1 Wet Bopz. Vraag of betrokkene verblijft in psychiatrisch ziekenhuis in de zin van art. 1 Wet Bopz. HR 22 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3254.
Procesgang
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 20 maart 2020
ECLI:NL:PHR:2020:297Hoge Raad · 24 april 2020deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2020:805
Conclusie gevolgdGevolgd of contrair‘Gevolgd’: de Hoge Raad besliste zoals de advocaat-generaal adviseerde. ‘Contrair’: hij besliste anders.Meer uitleg
Uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 20/00655
Datum 24 april 2020
BESCHIKKING
In de zaak van
[betrokkene] ,
wonende te [woonplaats] ,
VERZOEKER tot cassatie,
hierna: betrokkene,
advocaat: G.E.M. Later,
tegen
DE OFFICIER VAN JUSTITIE IN HET ARRONDISSEMENT OOST-BRABANT,
VERWEERDER in cassatie,
hierna: de officier van justitie,
niet verschenen.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar de beschikking in de zaak C/01/351964/FA RK 19-5126 van de rechtbank Oost-Brabant van 21 november 2019.
Betrokkene heeft tegen de beschikking van de rechtbank beroep in cassatie ingesteld. De beschikking van de rechtbank is aan deze beschikking gehecht.
De officier van justitie heeft geen verweerschrift ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal M.L.C.C. Lückers strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot terugwijzing.
2 Uitgangspunten en feiten
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) De officier van justitie heeft de rechtbank verzocht een machtiging te verlenen tot voortgezet verblijf van betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis.
(ii) Volgens het verzoekschrift verbleef betrokkene op dat moment in GGzE De Woenselse Poort, locatie Doctor Poletlaan 91, te Eindhoven.
(iii) Bij het verzoekschrift was een geneeskundige verklaring gevoegd, die inhoudt, voor zover thans van belang, dat betrokkene verbleef in de locatie [a-straat 1] te [plaats].
(iv) De rechtbank heeft het verzoek mondeling behandeld. Blijkens het proces-verbaal heeft de advocaat van betrokkene aangevoerd dat de locatie [a-straat 1] geen psychiatrische instelling is in de zin van de Wet Bopz (oud).
De rechtbank heeft de verzochte machtiging verleend. Zij heeft het hiervoor in 2.1 onder (iv) vermelde verweer verworpen op de grond dat dit niet voldoende is onderbouwd.
3 Beoordeling van het middel
Onderdeel I van het middel klaagt dat de rechtbank ten onrechte de verzochte machtiging heeft verleend, nu een machtiging tot voortgezet verblijf slechts kan worden verleend indien de betrokkene verblijft in een psychiatrisch ziekenhuis in de zin van de Wet Bopz (oud). Volgens het onderdeel was de locatie [a-straat 1] ten tijde van het verlenen van de beschikking van de rechtbank niet aangemerkt als een psychiatrisch ziekenhuis in de zin van de Wet Bopz (oud).
Onder een psychiatrisch ziekenhuis wordt ingevolge art. 1 lid 1, aanhef en onder h, Wet Bopz (oud), voor zover hier van belang, verstaan: een door de minister als ‘psychiatrisch ziekenhuis’ aangemerkte zorginstelling of afdeling daarvan. De op dit voorschrift gebaseerde Regeling aanmerking psychiatrisch ziekenhuis Bopz bepaalt in art. 1 lid 1 dat als zodanig worden aangemerkt “de zorginstellingen en afdelingen van zorginstellingen, opgenomen in bijlage 1 bij deze regeling”. In de per 7 mei 2019 geldende versie van deze bijlage is de locatie [a-straat 1] - anders dan de locaties Doctor Poletlaan 23a, 25, 36, 64, 66, 72, 80, 84 en 86 - niet aangemerkt als ‘psychiatrisch ziekenhuis’. Dit geldt ook voor de in het verzoekschrift van de officier van justitie genoemde locatie Doctor Poletlaan 91 (hiervoor vermeld in 2.1 onder (ii)).
In cassatie moet derhalve ervan worden uitgegaan dat betrokkene ten tijde van de beschikking van de rechtbank niet verbleef in een psychiatrisch ziekenhuis in de zin van de wet. Een dergelijk verblijf is echter op grond van art. 18 lid 1 Wet Bopz (oud) vereist voor de verlening van een machtiging tot voortgezet verblijf als in die bepaling bedoeld. De klacht is dus gegrond.
In het verlengde hiervan slaagt ook onderdeel III.
Onderdeel II behoeft geen behandeling.
4 Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 21 november 2019;
- wijst het geding terug naar die rechtbank ter verdere behandeling en beslissing.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, G. Snijders en H.M. Wattendorff, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer C.E. du Perron op 24 april 2020.