Goederenrecht
Goederenrecht. Samenlevingsovereenkomst. Verdeling gemeenschappelijke goederen. Art. 3:172 BW.
Hoge Raad, 20 december 2019
ECLI:NL:HR:2019:2013 · Hoge Raad · 20 december 2019
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/civiel-recht/goederenrecht/cassatie/ecli-nl-hr-2019-2013
Zaakgegevens
Op 20 december 2019 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over goederenrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 20 december 2019
- Datum publicatie
- 19 december 2019
- Zaaknummer
- 18/03877
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Goederenrecht
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. E.F.A. Linssen-van Rossum
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2019:2013
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Goederenrecht. Samenlevingsovereenkomst. Verdeling gemeenschappelijke goederen. Art. 3:172 BW.
Procesgang
Gerechtshof Amsterdam · 12 juni 2018
ECLI:NL:GHAMS:2018:1961Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 4 oktober 2019
ECLI:NL:PHR:2019:1006Hoge Raad · 20 december 2019deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2019:2013
(Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaanVernietigingDe hogere rechter zet de eerdere uitspraak (deels) opzij en beslist zelf, of laat een andere rechter de zaak opnieuw doen.Meer uitleg · Conclusie gevolgdGevolgd of contrair‘Gevolgd’: de Hoge Raad besliste zoals de advocaat-generaal adviseerde. ‘Contrair’: hij besliste anders.Meer uitleg
Uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 18/03877
Datum 20 december 2019
ARREST
In de zaak van
[de man],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
hierna: de man,
advocaat: mr. E.F.A. Linssen-van Rossum,
tegen
[de vrouw],
wonende te [woonplaats],
VERWEERSTER in cassatie,
hierna: de vrouw,
niet verschenen.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. de vonnissen in de zaak C/13/600607 / HA / 16-44 van de rechtbank Amsterdam van 20 april 2016 en 14 december 2016;
b. het arrest in de zaak 200.214.192/01 van het gerechtshof Amsterdam van 12 juni 2018.
De man heeft tegen het arrest van het hof beroep in cassatie ingesteld. Tegen de vrouw is verstek verleend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal E.B. Rank-Berenschot strekt tot vernietiging en het zelf afdoen van de zaak.
De advocaat van de man heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.
2 Uitgangspunten en feiten
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) De man en de vrouw hebben een affectieve relatie gehad.
(ii) Krachtens een destijds door hen gesloten samenlevingsovereenkomst zijn zij samen eigenaar van een woning en een verhuurd bedrijfspand.
In dit geding vorderen de man en de vrouw beiden dat de woning en het bedrijfspand worden toebedeeld aan de man. Daarnaast vordert de vrouw veroordeling van de man om aan haar huuropbrengsten van het bedrijfspand te betalen. De rechtbank heeft de vorderingen tot toedeling/verdeling van de panden afgewezen op de grond dat niet duidelijk is of de man financieel in staat is om het aandeel van de vrouw in die panden over te nemen. De rechtbank heeft de vordering van de vrouw ten aanzien van de huuropbrengsten in het dictum als volgt toegewezen:
“5.2. veroordeelt de man aan de vrouw te voldoen een bedrag van € 42.050--, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 juni 2016 tot aan de dag van algehele voldoening, en te vermeerderen met de helft van de netto huuropbrengsten vanaf 1 november 2015 tot aan de datum van levering van het aandeel van de vrouw in het bedrijfspand (…) aan de man, dan wel de datum van levering van dit pand aan een derde.”
Het hof heeft het vonnis vernietigd voor zover daarbij de vorderingen van de man en de vrouw tot verdeling van de woning en het bedrijfspand zijn afgewezen, en heeft de verdeling van de panden vastgesteld. Het heeft het vonnis voor het overige, voor zover aan hoger beroep onderworpen, bekrachtigd.
3 Beoordeling van het middel
De in de onderdelen 1-4 van het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
Onderdeel 5 klaagt dat het hof ten onrechte het vonnis heeft bekrachtigd ten aanzien van de beslissing dat de man de helft van de netto huuropbrengsten dient te betalen vanaf 1 november 2015 tot aan de datum van levering van het aandeel van de vrouw in het bedrijfspand aan de man dan wel de datum van levering van dat pand aan een derde.
Het hof heeft (in rov. 3.23) overwogen dat de man en de vrouw tot het moment dat de verdeling heeft plaatsgevonden, het bedrijfspand in gemeenschappelijk eigendom hebben en op grond van art. 3:172 BW delen in de huuropbrengsten van dat pand. Het hof heeft door het vonnis van de rechtbank te bekrachtigen ten aanzien van de huuropbrengsten, in het dictum van zijn arrest miskend dat de betalingsverplichting van de man geldt tot het moment dat de verdeling heeft plaatsgevonden en niet tot de door de rechtbank genoemde datum van levering.
De klacht is dus gegrond.
De Hoge Raad kan zelf de zaak afdoen door het dictum van het arrest van het hof te verbeteren als hierna te vermelden.
4 Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 12 juni 2018, doch uitsluitend voor zover het hof in het dictum rov. 5.2 van het vonnis van de rechtbank (zie hiervoor in 2.2.1) heeft bekrachtigd;
- veroordeelt de man aan de vrouw te voldoen de helft van de netto huuropbrengsten van het bedrijfspand vanaf 1 november 2015 tot het moment dat de verdeling van het bedrijfspand heeft plaatsgevonden;
- compenseert de kosten van het geding in cassatie aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, M.J. Kroeze en C.H. Sieburgh, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer C.E. du Perron op 20 december 2019.