Personen- en familierecht

Art. 80a lid 1 RO. Personen- en familierecht. Verzoek tot opheffing onderbewindstelling.

Hoge Raad, 27 juni 2014

Zaakgegevens

Op 27 juni 2014 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over personen- en familierecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
27 juni 2014
Datum publicatie
26 juni 2014
Zaaknummer
14/01292
Procedure
Cassatie
Advocaat
mr. M.J.G. Schroeder
ECLI
ECLI:NL:HR:2014:1545
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Art. 80a lid 1 RO. Personen- en familierecht. Verzoek tot opheffing onderbewindstelling.

Procesgang

  1. Uitspraak · 2013

    ECLI:NL:GHDHA:2013:4690
  2. Conclusie A-G · 9 mei 2014

    ECLI:NL:PHR:2014:370
  3. Hoge Raad · 27 juni 2014deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2014:1545

    Conclusie gevolgd · Niet ontvankelijk

Uitspraak

27 juni 2014

Eerste Kamer

nr. 14/01292

LZ

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

in de zaak van:

[verzoeker],
wonende te [woonplaats],

VERZOEKER tot cassatie,

advocaat: mr. M.J.G. Schroeder,

t e g e n

[de bewindvoerder], in zijn hoedanigheid van bewindvoerder,
wonende te [woonplaats],

BELANGHEBBENDE in cassatie,

niet verschenen.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [verzoeker] en de bewindvoerder.

1 Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de volgende stukken:

a. de beschikking in de zaak 1248956\EJ VERZ 13-81003 van de kantonrechter te Leiden van 23 april 2013;

b. de beschikking in de zaak 200.130.668/01 van het gerechtshof Den Haag van 11 december 2013;

De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.

2 Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van het hof heeft [verzoeker] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De bewindvoerder heeft geen verweerschrift ingediend.

Het standpunt van de Procureur-Generaal strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep met toepassing van artikel 80a RO.

3 Beoordeling van de ontvankelijkheid

De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden (zie het standpunt van de Procureur-Generaal onder 2).

De Hoge Raad zal daarom – gezien art. 80a lid 1 RO en gehoord de Procureur-Generaal – het beroep niet-ontvankelijk verklaren.

4 Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.

Deze beschikking is gegeven door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, en de raadsheren G. Snijders en M.V. Polak, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 27 juni 2014.