Personen- en familierecht
Art. 80a lid 1 RO. Personen- en familierecht. Verzoek tot opheffing onderbewindstelling.
Parket bij de Hoge Raad, 9 mei 2014
ECLI:NL:PHR:2014:370 · Parket bij de Hoge Raad · 9 mei 2014
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/parket-bij-de-hoge-raad/civiel-recht/personen-en-familierecht/ecli-nl-phr-2014-370
Zaakgegevens
Op 9 mei 2014 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over personen- en familierecht.
- Instantie
- Parket bij de Hoge RaadParket bij de Hoge RaadHet onafhankelijke parket van de procureur-generaal en de advocaten-generaal, die de Hoge Raad adviseren in conclusies.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 9 mei 2014
- Datum publicatie
- 14 mei 2014
- Zaaknummer
- 14/01292
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Personen- en familierecht
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2014:370
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Art. 80a lid 1 RO. Personen- en familierecht. Verzoek tot opheffing onderbewindstelling.
Procesgang
Uitspraak · 2013
ECLI:NL:GHDHA:2013:4690Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 9 mei 2014deze uitspraak
ECLI:NL:PHR:2014:370
Hoge Raad · 27 juni 2014
ECLI:NL:HR:2014:1545Conclusie gevolgdGevolgd of contrair‘Gevolgd’: de Hoge Raad besliste zoals de advocaat-generaal adviseerde. ‘Contrair’: hij besliste anders.Meer uitleg · Niet ontvankelijkNiet-ontvankelijkDe rechter behandelt de zaak niet inhoudelijk, omdat niet aan een formele eis is voldaan, bijvoorbeeld omdat iemand te laat is.Meer uitleg
Conclusie
Rolnr. 14/01292
Mr M.H. Wissink
Zitting van 9 mei 2014
Conclusie inzake art. 80a RO
in de zaak van:
[verzoeker],
wonende te [woonplaats],
verzoeker tot cassatie,
waarin als belanghebbende is aangemerkt en verschenen
[de bewindvoeder],
wonende te [woonplaats],
in zijn hoedanigheid van bewindvoerder
Het bij verzoekschrift van 10 maart 2014 door verzoeker tijdig ingestelde cassatieberoep richt zich tegen de beschikking van het gerechtshof Den Haag van 11 december 2013. Daarin bekrachtigde het hof de beschikking van de rechtbank Den Haag van 23 april 2013 waarbij, kort gezegd, werd afgewezen het verzoek van [verzoeker] tot opheffing van de sinds 1998 bestaande onderbewindstelling van al zijn goederen. In het verzoekschrift is geen voorbehoud gemaakt om de klachten aan te vullen na ontvangst van het proces-verbaal van de behandeling bij het hof. De cassatieadvocaat van de bewindvoerder heeft verzocht om uitstel voor het indienen van het verweerschrift op de voet van art. 9a.8 van het Reglement rekestzaken van de civiele kamer van de Hoge Raad der Nederlanden. De klachten van het middel rechtvaardigen naar mijn mening geen behandeling in cassatie omdat zij klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.
Middel 1 faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag. Het hof heeft, anders dan het middel aanvoert, wel beslist op het verzoek om een financieel onderzoek te gelasten. Het hof heeft dit verzoek afgewezen, zoals blijkt uit het slot van rov. 9 en de bekrachtiging van de bestreden beschikking in het dictum.
Het hof heeft in rov. 9 geoordeeld dat niet dan wel onvoldoende is onderbouwd dat de gronden die aanleiding hebben gegeven tot het instellen van het bewind thans niet meer aanwezig zijn. Het hof heeft daartoe gemotiveerd waarom het de in hoger beroep door [verzoeker] overgelegde verklaringen van de huisarts en psychiater niet voldoende acht en zich verder gebaseerd op zijn eigen waarnemingen ter zitting. Een en ander wordt door de middelen als zodanig niet bestreden. Nu het niet gaat om een zaak betreffende een minderjarige, staat het het hof blijkens de art. 194 lid 1, 284 lid 1 en 362 Rv in beginsel vrij om al dan niet een deskundigenbericht in te winnen. Anders dan middel 2 veronderstelt, was het hof onder deze omstandigheden niet gehouden om aanvullend onderzoek te gelasten naar de lichamelijke of geestelijke toestand van [verzoeker].
De klacht van middel 3, dat [betrokkene] als belanghebbende aangemerkt had moeten worden dan wel in hoger beroep gehoord had moeten worden, faalt. Deze persoon behoort volgens het hof kennelijk niet tot de kring van personen die in dit geval op grond van art. 798 lid 2 Rv of anderszins als belanghebbende moeten worden aangemerkt. Het middel maakt niet duidelijk waarom het hof deze persoon wel als belanghebbende had moeten aanmerken – daartoe volstaat niet dat het hof de informele levensgezellin van [verzoeker] conform art. 798 lid 2 Rv als belanghebbende heeft aangemerkt - en voldoet in zoverre niet aan de daaraan te stellen. Het middel maakt evenmin duidelijk waarom de verklaring van deze persoon - die in eerste aanleg als procesgemachtigde van [verzoeker] was opgetreden - in verband met de beoordeling van het verzoek, anders dan het hof kennelijk heeft geoordeeld, wel van betekenis kan zijn (vgl. art. 799 Rv). Daartoe volstaat niet dat de rechtbank bij de terechtzitting in eerste aanleg een medewerker van het bewindvoerderskantoor heeft toegelaten. Het middel verwijst bovendien niet naar vindplaatsen in de stukken waaruit zou blijken dat een en ander wel is aangevoerd en voldoet in zoverre niet aan de daaraan te stellen eisen.
Het cassatieberoep kan naar mijn mening met toepassing van artikel 80a RO niet-ontvankelijk worden verklaard.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G