Strafrecht overig

Oorlogsmisdrijven Rwanda. Levenslang. HR: 81.1 RO en ambtshalve: constatering overschrijding van de redelijke…

Hoge Raad, 26 november 2013

Zaakgegevens

Op 26 november 2013 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
26 november 2013
Datum publicatie
26 november 2013
Zaaknummer
12/04592
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2013:1420
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Oorlogsmisdrijven Rwanda. Levenslang. HR: 81.1 RO en ambtshalve: constatering overschrijding van de redelijke termijn.

Procesgang

  1. Rechtbank 's-Gravenhage · 23 maart 2009

    ECLI:NL:RBSGR:2009:BI2444
  2. Rechtbank 's-Gravenhage · 23 maart 2009

    ECLI:NL:RBSGR:2009:BK0520
  3. Gerechtshof 's-Gravenhage · 7 juli 2011

    ECLI:NL:GHSGR:2011:BR0686

    (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan

  4. Conclusie A-G · 1 oktober 2013

    ECLI:NL:PHR:2013:1007
  5. Hoge Raad · 26 november 2013deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2013:1420

    Bekrachtiging/bevestiging · Conclusie gevolgd

Uitspraak

26 november 2013

Strafkamer

nr. 12/04592

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 7 juli 2011, nummer 22/002613-09, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1968.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. A.B.G.T. von Bóné, advocaat te Rotterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De waarnemend Advocaat-Generaal J. Wortel heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2 Beoordeling van de middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3 Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak

De verdachte, die zich in voorlopige hechtenis bevindt, heeft op 19 juli 2011 beroep in cassatie ingesteld. De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Aangezien de aan de verdachte opgelegde levenslange gevangenisstraf zich naar haar aard niet voor vermindering leent, is er geen aanleiding om aan het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden enig rechtsgevolg te verbinden en zal de Hoge Raad met dat oordeel volstaan.

4 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de waarnemend griffier S.C. Rusche, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 november 2013.