Strafrecht overig

Zedenzaak. Ontucht met 5-jarig buurmeisje door 62-jarige verdachte bij verdachte thuis, art. 247 (oud) Sr jo…

Hoge Raad, 6 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 6 oktober 2026 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
6 oktober 2026
Datum publicatie
2 oktober 2026
Zaaknummer
24/02602
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2026:1611
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Zedenzaak. Ontucht met 5-jarig buurmeisje door 62-jarige verdachte bij verdachte thuis, art. 247 (oud) Sr jo. 248.2 (oud) Sr. 1. Bewijsklachten niet redengevende feiten en omstandigheden in bewijsvoering en vaststelling in nadere bewijsoverwegingen. 2. Bewijsklacht “aan zijn zorg en waakzaamheid toevertrouwde minderjarige”. 3. Vordering benadeelde partij t.z.v. immateriële schade. Is sprake van aantasting in persoon “op andere wijze” a.b.i. art. 6:106.b BW?

HR: art. 81.1 RO.

Procesgang

  1. Conclusie A-G · 1 september 2026

    ECLI:NL:PHR:2026:761
  2. Hoge Raad · 6 oktober 2026deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2026:1611

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 24/02602

Datum 6 oktober 2026

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 28 juni 2024, nummer 22-000327-22, in de strafzaak

tegen

[verdachte],

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1958,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat J. Kuijper bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.

De advocaat-generaal P.H.P.H.M.C. van Kempen heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2 Beoordeling van het eerste, het tweede en het derde cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Beoordeling van het vierde cassatiemiddel

3.1

Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.

3.2

Het cassatiemiddel is gegrond. Bovendien doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dit alles brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van tien maanden, waarvan twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;

- vermindert deze in die zin dat deze negen maanden en een week, waarvan twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren beloopt;

- verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president C. Caminada als voorzitter, en de raadsheren C.N. Dalebout en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 6 oktober 2026.