Strafrecht overig
Conclusie AG. Met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen…
ECLI:NL:PHR:2026:761 · Parket bij de Hoge Raad · 1 september 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/parket-bij-de-hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/ecli-nl-phr-2026-761
Zaakgegevens
Op 1 september 2026 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Parket bij de Hoge RaadParket bij de Hoge RaadHet onafhankelijke parket van de procureur-generaal en de advocaten-generaal, die de Hoge Raad adviseren in conclusies.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 1 september 2026
- Datum publicatie
- 11 augustus 2026
- Zaaknummer
- 24/02602
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2026:761
Samenvatting
Conclusie AG. Met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen, terwijl de schuldige het feit begaat tegen een aan zijn zorg en waakzaamheid toevertrouwde minderjarige (art. 247 (oud) Sr). M1: falende bewijsklachten. M2: falende klacht m.b.t. oordeel dat minderjarige slachtoffer (van i.c. vijf jaar) aan verdachtes “zorg en waakzaamheid” was toevertrouwd. M3: falende klacht m.b.t. toewijzing vordering op grond dat BP op andere wijze in de persoon is aangetast. M4: slagende klacht over inzendtermijn in cassatie. Conclusie strekt tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan en tot verwerping van het beroep voor het overige.
Conclusie
Inhoudsopgave
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/02602
Zitting 1 september 2026
CONCLUSIE
P.H.P.H.M.C. van Kempen
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1958,
hierna: de verdachte
1 Inleiding
De verdachte is door het gerechtshof Den Haag bij arrest van 28 juni 2024 (rolnr. 22-000327-22) veroordeeld wegens “met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen, terwijl de schuldige het feit begaat tegen een aan zijn zorg en waakzaamheid toevertrouwde minderjarige”. Het hof heeft daarvoor een gevangenisstraf opgelegd voor de duur van 10 maanden waarvan 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en met de algemene en bijzondere voorwaarden zoals in het bestreden arrest zijn vermeld. Ook heeft het hof de vordering van de [benadeelde 1] gedeeltelijk toegewezen tot een bedrag van € 3.000,- en voor het toegewezen bedrag een schadevergoedingsmaatregel opgelegd waarbij de duur van de gijzeling op ten hoogste 40 dagen is bepaald. Verder heeft het hof de benadeelde partijen [benadeelde 2] en [benadeelde 3] niet-ontvankelijk verklaard in hun vorderingen.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. J. Kuijper, advocaat in Amsterdam, heeft vier middelen van cassatie voorgesteld.
2 Waar het in cassatie om gaat
De verdachte is veroordeeld wegens het plegen van ontuchtige handelingen met zijn destijds vijfjarige buurmeisje dat aan zijn zorg en waakzaamheid was toevertrouwd. Het eerste middel bevat twee bewijsklachten. Het tweede middel komt op tegen het oordeel dat het slachtoffer een aan verdachtes zorg en waakzaamheid toevertrouwde minderjarige betrof. Het derde middel klaagt dat de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, ontoereikend is gemotiveerd en/of onbegrijpelijk is. Het vierde middel klaagt over de inzendtermijn in cassatie.
Deze conclusie houdt in dat eerste, tweede en derde middel falen en dat het vierde middel slaagt.
3 Het eerste middel
Het middel komt met twee bewijsklachten op tegen het bewezenverklaarde. De eerste deelklacht houdt in dat de bewezenverklaring ontoereikend is gemotiveerd, omdat in de bewijsvoering niet redengevende feiten en omstandigheden zijn opgenomen, in het bijzonder feiten en omstandigheden die niet zijn bewezenverklaard.
Aan de verdachte is subsidiair tenlastegelegd dat:
“hij op of omstreeks 12 juni 2021 te [plaats] , met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren, en met de aan zijn, verdachtes, zorg en waakzaamheid toevertrouwde minderjarige, te weten [benadeelde 1] (geboren op [geboortedatum] 2015), meermalen, althans eenmaal, buiten echt een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, namelijk het
- betasten van en/of wrijven met zijn, verdachtes, hand over de vagina en/of de schaamstreek van die [benadeelde 1] en/of
- brengen van en/of wrijven met zijn, verdachtes, vinger(s) tussen de schaamlippen van die [benadeelde 1] en/of
- houden van een seksspeeltje, althans een trillend voorwerp, tegen de (blote) vagina van die [benadeelde 1] en/of
- kussen en/of likken van de (blote) vagina van die [benadeelde 1] en/of
- brengen en/of houden en/of bewegen van zijn, verdachtes, tong in de vagina, althans tussen de
schaamlippen van die [benadeelde 1] .”
Daarvan heeft het hof bewezenverklaard dat:
“hij op 12 juni 2021 te [plaats] , met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren, de aan zijn, verdachtes, zorg en waakzaamheid toevertrouwde minderjarige, te weten [benadeelde 1] (geboren op [geboortedatum] 2015), meermalen, buiten echt ontuchtige handelingen heeft gepleegd, namelijk het
- betasten van en wrijven met zijn, verdachtes, hand over de vagina en de schaamstreek van die [benadeelde 1] .”
Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
“1. Een proces-verbaal van aangifte d.d. 9 juli 2021 van de politie Eenheid Rotterdam met
nr. 2107091030.AAN. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – (p. 7 - 15):
als de op 9 juli 2021 afgelegde verklaring van [benadeelde 3] :
[benadeelde 3] doet aangifte namens [benadeelde 1] , geboren op [geboortedatum] 2015 te [plaats] , van seksueel misbruik kinderen op 12 juni 2021, gepleegd door [verdachte] , wonende [a-straat 1] te [plaats] .
Ik wil aangifte doen van het feit dat mijn dochter verkeerd behandeld/seksueel misbruikt is. Ik wil aangifte doen tegen [verdachte] , hij woont op [a-straat 1] in [plaats] . Het is gebeurd op 12 juni 2021 aan de [a-straat 1] te [plaats] .
2. Een proces-verbaal van bevindingen betreffende de uitwerking van het studioverhoor
d.d. 13 augustus 2021 van de politie Eenheid Rotterdam met nr. 2108131530.AMB. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – :
als de letterlijke uitwerking van het studioverhoor van 28 juli 2021 van [benadeelde 1] :
[benadeelde 1] : En toen ging die ook een beetje bij m’n noenoe aaien.
[benadeelde 1] : Dat was eigenlijk gebeurd bij hem huis.
[benadeelde 1] : Dat was eigenlijk in de slaapkamer gebeurd wat ik had verteld.
[benadeelde 1] : Op een bed.
Verhoorder: En hoe was jij toen op dat bed?
[benadeelde 1] : Zo omdat [verdachte] wou me echt zoenen [doet voor, benen wijd]
Verhoorder: Maar toen het gebeurde in die slaapkamer op het bed, was je toen aan het zitten? Of aan het staan? Of aan het liggen?
[benadeelde 1] : Liggen.
Verhoorder: Vertel eens precies wat hij met jouw broekje deed.
[benadeelde 1] : Hij deed eh... trekken.
Verhoorder: Want jij zei: hij deed ook aan jouw noenoe aaien. En waarmee deed hij dat dan?
[benadeelde 1] : Hij deed ermee aaien. Met z'n vinger.
Verhoorder: En wat voelde je toen hij jou bij je noenoe ging aaien?
[benadeelde 1] : Echt, ik voelde echt...echt pijn.
Verhoorder: Was jouw jurkje gewoon omlaag? Of een klein beetje omhoog? Of helemaal omhoog? Of anders?
[benadeelde 1] : Een beetje omhoog.
Verhoorder: En hoe kwam het dat hij dan een klein beetje omhoog was?
[benadeelde 1] : [verdachte] .
Verhoorder: Want jij zei het was bij m’n gaat.
[benadeelde 1] : Ja.
Verhoorder: En waar zit die gaat dan precies bij jou?
[benadeelde 1] : Hier [wijst haar vagina aan]. Hier echt.
[benadeelde 1] : Is gewoon een gaatje van de noenoe waar je door plast.
Verhoorder: Want jij zei: hij is ook met een trillende vinger bij mijn noenoe geweest.
[benadeelde 1] : Ja.
Hij drukt er zo op en dan gaat hij zo trillen, trillen en hij ging zo'n dingetje zo opzetten.
Verhoorder: Waar had hij die trillende vinger vandaan gehaald?
[benadeelde 1] : Uit zijn portemonnee. Die portemonnee is bruin.
Verhoorder: Maar waar had [verdachte] eigenlijk die portemonnee?
[benadeelde 1] : Op hem ... kast.
Verhoorder: Wat voor kleren had hij aan?
[benadeelde 1] : Hij had een monster korte broek aan. En hij had een bruine hemd.
3. Het proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 7 augustus 2021 van de politie Eenheid
Rotterdam met documentcode 2108071040.V. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – (p. 34-35) :
als de op 7 augustus 2021 afgelegde verklaring van [verdachte] :
Op 12 juni 2021 kwamen de kinderen van [betrokkene 1] in de middag bij mij langs. Ze zijn aan het springen geweest, ze hebben nog voor de tv gezeten en op de massagestoel gezeten. Ik lag zelf op mijn bed te kijken. Toen is dat meisje naast me komen zitten en heeft ze op haar telefoon gezeten. Ik lag te kijken naar dat ze aan het trampoline springen waren. Het meisje was moe en ging bij mij op het bed zitten met haar telefoon. Ik lag met mijn hoofd op mijn kussen.
4. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 1 juli 2021 van de politie Eenheid Rotterdam
met nr. 2106121936.AMB. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – (p. 1-2):
als relaas van de betreffende opsporingsambtenaren:
Wij waren op 12 juni 2021 ter plaatse naar aanleiding van een melding waarbij de meldster vanuit haar woning gezien had vanuit haar woonkamer dat een man, in zijn woning op bed lag met een minderjarig meisje van circa zes jaar oud. Wij verbalisanten zagen dat de meldster emotioneel was en verklaarde dat; “de oude man heeft meisje onder de rok aangeraakt, niet goed, niet goed”.
De meldster betreft: [getuige 1] ( [getuige 1] ).
Wij zagen dat de meldster vanuit haar woning zicht heeft op de achterzijde van de woning, achtertuin en slaapkamer van het pand gelegen aan de [a-straat 1] te [plaats] .
Wij zagen vanuit de woning van de meldster dat de slaapkamer van de woning [a-straat 1] direct grenst aan de tuin en twee openslaande tuindeuren heeft. Wij zagen dat de tuindeuren open stonden en dat je vanuit de woning van de meldster goed zicht hebt op het tweepersoonsbed van de bewoner.
Wij hoorden de meldster verklaren dat zij zag, dat de man met het minderjarige meisje op bed lag en met zijn handen over de blote benen van het meisje aan het wrijven was in de richting van de schaamstreek. Het meisje droeg volgens de meldster een zomerjurkje.
Wij hebben aangebeld bij de bewoner van de [a-straat 1] te [plaats] . Wij zagen dat er een man de genoemde woning uitliep. Dit bleek de bewoner [verdachte] . Wij roken dat hij onder invloed was van alcohol, wij zagen dat hij gekleed was in een boxershort en T-shirt. In het bijzijn van verbalisanten zagen wij dat de bewoner met zijn rechterhand tot tweemaal aan zijn penis trok.
5. Het proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 12 augustus 2021 van de politie Eenheid
Rotterdam met documentcode 2108121130.G. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (p. 62-68) :
als de op 12 augustus 2021 afgelegde verklaring van [getuige 1] :
Die man lag op het bed, met zijn handen in zijn nek. Hij zei tegen het meisje: “Kom nou”. Het kindje ging naar hem toe. Het kind ging liggen op zijn bovenarm (getuige strekt linker arm en toont de binnenkant van haar linkerarm en geeft aan dat het meisje op haar rug ging liggen in de arm met haar hoofd). Ik zag op een gegeven moment dat hij aan haar begon te zitten. Het kindje droeg een korte broek en hij begon aan haar te zitten. Ik zag dat hij haar begon te betasten.
Hij betast haar met zijn rechterhand. Hij begint bij haar linkerborst, wrijven daarna gaat hij wrijvend over de buik naar beneden over haar bovenbeen rondjes wrijven. Ik zag dat hij rondom de schaamstreek wreef.
Zijn hand is vlak en plat en de vingers bij elkaar als hij wrijvend over haar buik naar beneden gaat.
6. Het proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 12 augustus 2021 van de politie Eenheid
Rotterdam met documentcode 2108120930.G. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven (p. 70-76) :
als de op 12 augustus 2021 afgelegde verklaring van [getuige 2] :
Volgens mij riep hij het meisje. Hij zei tegen het meisje: “Kom hier zitten”. Hij heeft daar een bed. Dat meisje ging zitten op het bed en hij zei toen: “Nee, nee kom maar” Hij gebaarde dat ze moest liggen. Hij ging liggen en toen zei hij tegen haar: “Kom maar hier liggen”. Toen hield hij zijn arm wijd en gebaarde naar zijn arm. Ze had een rokje of jurkje aan. Hij begon aan haar te zitten; over haar arm, bij de buik ... ja gewoon haar te betasten.
Ik zie dat hij haar op haar buik en benen betast. Ik zag haar onderbroekje. Hij tilde haar rokje en hij ging onder haar jurkje of rokje en was haar aan het betasten.
Hij betast haar met zijn rechterhand ... want die andere lag onder haar hoofd.
Hij ging onder het rokje of jurkje met zijn hand over haar buik wrijven en dan weer over haar been. Ik zie dat zijn hand beweegt. Onder het jurkje/rokje. Gewoon zachtjes aaien en wrijven.
7. Het proces-verbaal van bevindingen betreffende de doorzoeking woning d.d. 8 augustus 2021 van de politie Eenheid Rotterdam met documentcode 2108081315.AMB. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – (p. 45-46) :
als relaas van de betreffende opsporingsambtenaren:
[verdachte] verklaarde dat wij zijn woning met zijn uitdrukkelijke toestemming mochten doorzoeken naar de trillende vinger of trilding in zijn woning.
Op 8 augustus 2021 zijn wij naar de woning gelegen aan de [a-straat 1] te [plaats] gegaan en hebben de woning betreden.
Wij troffen in de slaapkamer op de volgende locaties de volgende goederen aan:
- onder het hoofdkussen naast het nachtkastje werd een korte broek/boxershort aangetroffen met een afbeelding erop van een hennepblaadje en een biertje en een tekst “My best friends” (foto 6 en 7).”
Het hof heeft inzake het bewezenverklaarde als volgt overwogen:
“Bewijsoverweging
Op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting stelt het hof de volgende feiten en
omstandigheden vast.
Op 12 juni 2021 maakte [getuige 1] melding bij de politie dat zij vanuit haar woning had gezien dat de verdachte op zijn bed lag met een meisje van rond de zes jaar oud en dat de verdachte het meisje onder de rok zou hebben aangeraakt. De verdachte zou met zijn handen over de blote benen van het meisje hebben gewreven in de richting van haar schaamstreek. De politie is vervolgens naar de woning van de verdachte gegaan en trof daar de vader van het slachtoffer aan, die verklaarde zeker te weten dat de verdachte nooit aan zijn kinderen zou zitten. Verderop in de woning trof zij de verdachte aan, gekleed in een boxershort en T-shirt en ruikend naar het inwendig gebruik van alcohol.
Op 13 juni 2021 heeft de moeder van het vijfjarige slachtoffer zich bij de politie gemeld, aangezien het slachtoffer haar had verteld dat de buurman (de verdachte) aan haar geslachtsdeel had gezeten. Naar aanleiding hiervan werd op 23 juni 2021 een ‘informatief gesprek zeden’ gehouden met de ouders van het slachtoffer. Zij verklaarden dat het slachtoffer, toen zij op de avond van het misbruik door haar vader naar bed werd gebracht, vertelde dat de verdachte in haar broekje was geweest met trillende vingers en dat het pijn deed, maar dat zij niets tegen papa en mama mocht zeggen.
Vervolgens deed het slachtoffer in het bijzijn van haar moeder nogmaals haar verhaal en verklaarde zij dat de verdachte aan haar “nunu” had gezeten.
Op 9 juli 2021 is door de vader van het slachtoffer aangifte gedaan.
Op 28 juli 2021 is het slachtoffer in een kindvriendelijke studio gehoord door een gecertificeerd zedenrechercheur. Zij heeft toen onder andere verklaard dat de verdachte haar benen uit elkaar had gedaan en haar onderbroekje aan de kant had geschoven. Ook heeft zij verklaard dat de verdachte haar “noenoe” had geaaid en met een trilvinger aan haar “noenoe” had gezeten. Dit zou
gebeurd zijn terwijl zij lag op het bed van de verdachte. De verdachte zou een bruin hemd en een monsterbroek aan hebben gehad. De trilvinger kwam uit een bruine portemonnee die op de kast lag. Tijdens de doorzoeking van de woning van de verdachte is op de plankenkast een bruine toilettas gevonden. Ook is een korte broek/boxershort aangetroffen met cartoonfiguren erop.
Op 7 augustus 2021 heeft de verdachte bij de politie verklaard dat hij op zijn bed lag en het slachtoffer op zijn bed zat. De verdachte ontkent enige seksuele handeling bij het slachtoffer verricht te hebben. Op 12 augustus 2021 zijn [getuige 1] en [getuige 2] , als getuigen gehoord door de politie. Kort samengevat hebben zij verklaard dat zij vanaf hun balkon zicht hebben op de woning en de slaapkamer van de verdachte, hetgeen is bevestigd door de politie. Zij zagen dat het slachtoffer met haar broertje in de tuin aan het spelen was, naar binnen werd geroepen door de verdachte en bij hem op bed lag. Ook zagen zij dat de verdachte vervolgens het slachtoffer aanraakte bij haar borsten, benen en buik en dat hij ter hoogte van haar schaamstreek wreef. Ten
slotte is waargenomen dat zijn hand onder haar rokje ging. Zij begonnen vanaf hun balkon naar de verdachte te schreeuwen, zodat hij zou stoppen.
Ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat hij enkel het vuil van het slachtoffer wilde afvegen, nu zij smerig zou zijn geworden van het springen op de trampoline, die in de tuin van de verdachte stond. Hij zou daarbij haar rug, buik, benen en liesstreek hebben aangeraakt.
Ten behoeve van de behandeling in hoger beroep zijn het slachtoffer en de beide genoemde getuigen opnieuw gehoord, door de raadsheer-commissaris.
Verweer verdediging
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte integrale vrijspraak bepleit. De raadsman stelt daartoe dat de verklaringen van het slachtoffer niet betrouwbaar zijn en daarom niet voor het bewijs mogen worden gebezigd. Voorts stelt de raadsman dat de verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] niet als (steun)bewijs kunnen dienen, gelet op de verschillen tussen hun verklaringen bij de politie en de nadien door hen bij de raadsheer-commissaris afgelegde verklaringen.
Het hof oordeelt als volgt.
Het (ten tijde van het tenlastegelegde) vijfjarige slachtoffer heeft twee keer een verklaring afgelegd, namelijk op 28 juli 2021 en op 19 januari 2024 bij een gespecialiseerd (zeden) rechercheur in een kindvriendelijke studio. Het eerste verhoor heeft ruim een maand na het ten laste gelegde misbruik plaatsgevonden. Het tweede verhoor is bijna drie jaren later afgenomen. Hoewel het slachtoffer in haar tweede verhoor niet tegenstrijdig verklaart met haar eerste verklaring, lijkt deze verklaring wel te zijn beïnvloed door de tijd en wellicht door gesprekken van het jeugdige slachtoffer met bijvoorbeeld haar ouders. Gelet hierop zal het hof de tweede verklaring van het slachtoffer niet gebruiken voor het bewijs.
De eerste verklaring van het slachtoffer acht het hof betrouwbaar, nu zij consistent en gedetailleerd heeft verklaard over de seksuele handelingen die zij heeft moeten ondergaan en nu haar verklaring op essentiële onderdelen steun vindt in andere bewijsmiddelen, waaronder de eerste melding bij de politie door de getuige [getuige 1] , de getuigenverklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] , het proces-verbaal van aantreffen verdachte op 12 juni 2021, het politieverhoor van de verdachte en de aangetroffen voorwerpen in de woning van de verdachte.
Het hof is voorts van oordeel - anders dan de verdediging - dat de verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] betrouwbaar zijn en als (steun)bewijs kunnen dienen. Zij hebben verklaard op 12 juni 2021 bepaalde seksuele handelingen te hebben waargenomen, waardoor zij zodanig geschokt waren dat zij aanleiding zagen om hiervan melding te doen bij de politie. De verklaringen die [getuige 1] dezelfde dag nog heeft afgelegd, alsmede de verklaringen die [getuige 1] en [getuige 2] als getuigen bij de politie hebben afgelegd, waren ten aanzien van de seksuele handelingen specifiek. Dat de getuigen twee jaar later, bij de raadsheer-commissaris, op onderdelen anders en minder specifiek hebben verklaard over de handelingen die de verdachte zou hebben verricht doet - mede gelet op het tijdsverloop - aan de betrouwbaarheid van hun eerdere verklaringen niet af. De getuigen bevestigen bij de raadsheer-commissaris dat zij hebben gezien dat de verdachte het slachtoffer op het bed in de slaapkamer van de verdachte heeft betast en dat dit voor hen aanleiding was om te gaan schreeuwen en om de politie erbij te halen.
Het hof acht de verklaring van de verdachte dat hij slechts vuil van het slachtoffer heeft afgeveegd
ongeloofwaardig, gelet op de verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] . In dit verband acht het hof van belang dat de verdachte, eerst ter terechtzitting in eerste aanleg - maar niet in zijn verhoor als verdachte bij de politie - heeft verklaard dat hij het slachtoffer naar binnen heeft geroepen omdat haar broertje om haar heen aan het springen was en hij die situatie gevaarlijk vond.
Daarbij komt dat de verdachte wisselend heeft verklaard over de positie van het slachtoffer, terwijl hij haar - naar zijn zeggen - aan het afvegen was. Bij de politie heeft de verdachte verklaard dat hij op bed lag en het slachtoffer voor hem op bed zat. Eerst ter terechtzitting in hoger beroep heeft hij verklaard dat hij op bed zat en zij voor hem stond.
Het is moeilijk voorstelbaar dat indien het slachtoffer zich in een zittende positie zou hebben bevonden, de verdachte in staat zou zijn geweest om vuil van haar af te vegen, op de wijze zoals hij heeft beschreven. Beide verklaringen van de verdachte op dit punt zijn strijdig met de verklaringen van de getuigen inhoudende dat het slachtoffer bij de verdachte op bed heeft gelegen,
terwijl hij haar aanraakte. Daarvan gaat - zeker in combinatie met de handelingen die het slachtoffer en de getuigen beschrijven - een sterk seksuele context uit.
Tenslotte valt niet in te zien waarom de verdachte bij het “afvegen” onder het rokje van het slachtoffer zou hebben moeten reiken en daarbij ook haar buik en liesstreek zou hebben moeten aanraken.”
In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat het hof ten laste van de verdachte slechts één van de vijf onder 3.2 weergegeven tenlastegelegde gedragingen heeft bewezenverklaard – te weten het “betasten van en wrijven met zijn, verdachtes, hand over de vagina en de schaamstreek van die [benadeelde 1] ” (1ste gedachtestreepje) – terwijl in het voor het bewijs gebezigde informatief gesprek zeden en het studioverhoor feiten en omstandigheden zijn opgenomen die niet zijn bewezenverklaard, te weten het houden van een seksspeeltje, althans een trillend voorwerp, tegen de (blote) vagina van die [benadeelde 1] (3de gedachtestreepje).
Het studioverhoor (bewijsmiddel 2) houdt onder meer in:
“Verhoorder: Want jij zei: hij is ook met een trillende vinger bij mijn noenoe geweest.
[benadeelde 1] : Ja.
Hij drukt er zo op en dan gaat hij zo trillen, trillen en hij ging zo'n dingetje zo opzetten.
Verhoorder: Waar had hij die trillende vinger vandaan gehaald?
[benadeelde 1] : Uit zijn portemonnee. Die portemonnee is bruin.
Verhoorder: Maar waar had [verdachte] eigenlijk die portemonnee?
[benadeelde 1] : Op hem ... kast.
Verhoorder: Wat voor kleren had hij aan?
[benadeelde 1] : Hij had een monster korte broek aan. En hij had een bruine hemd.”
In de nadere bewijsoverweging stelt het hof onder meer vast:
(i) dat tijdens het “informatief gesprek zeden” de ouders van het slachtoffer verklaarden dat het slachtoffer had verteld “dat de verdachte in haar broekje was geweest met trillende vingers en dat het pijn deed, maar dat zij niets tegen papa en mama mocht zeggen”;
(ii) dat het slachtoffer tijdens het studioverhoor heeft verklaard:
a. “dat de verdachte haar "noenoe" had geaaid en met een trilvinger aan haar "noenoe" had gezeten;
b. dat de “verdachte […] een bruin hemd en een monsterbroek aan [zou] hebben gehad; en
c. dat de trilvinger uit een bruine portemonnee kwam die op de kast lag; en
(iii) dat tijdens de doorzoeking van de woning van de verdachte op de plankenkast een bruine toilettas is gevonden en dat ook een korte broek/boxershort is aangetroffen met cartoonfiguren erop.
Blijkens de nadere bewijsoverweging (onder het tussenkopje “Verweer verdediging”) voert de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep het verweer dat de verklaringen van het slachtoffer onbetrouwbaar zijn en daarom niet voor het bewijs mogen worden gebezigd.
Het hof verwerpt dit verweer en overweegt daartoe onder meer dat het de (eerste) verklaring van het slachtoffer betrouwbaar acht, “nu zij consistent en gedetailleerd heeft verklaard over de seksuele handelingen die zij heeft moeten ondergaan en nu haar verklaring op essentiële onderdelen steun vindt in andere bewijsmiddelen, waaronder […] de aangetroffen voorwerpen in de woning van de verdachte”. Het hof doelt daarbij op de bruine toilettas en de korte broek/boxershort.
Uit het voorgaande volgt dat de redengevendheid van de onder 3.7 en 3.8 opgenomen feiten en omstandigheden, in samenhang bezien, erin is gelegen dat deze het oordeel van het hof, dat de (eerste) verklaring van het slachtoffer betrouwbaar is en dat het verweer van de raadsman dienaangaande om die reden moet worden verworpen, onderbouwen.
De eerste deelklacht faalt.
De tweede deelklacht richt zich tegen de in de nadere bewijsoverweging opgenomen vaststelling dat tijdens de doorzoeking van de woning van de verdachte “een korte broek/boxershort [is] aangetroffen met cartoonfiguren erop.” Deze vaststelling vindt volgens de steller van het middel geen steun in de gebezigde bewijsmiddelen, terwijl het hof evenmin het wettig bewijsmiddel heeft aangegeven waaraan het die vaststelling heeft ontleend.
Blijkens bewijsmiddel 2 (het studioverhoor) heeft het slachtoffer onder meer verklaard dat de verdachte ten tijde van de tenlastegelegde gedragingen een “monster korte broek” droeg. Bewijsmiddel 7 (het proces-verbaal van bevindingen betreffende de doorzoeking woning) houdt kort gezegd in dat opsporingsambtenaren onder het hoofdkussen een “korte broek/boxershort” is aangetroffen met een afbeelding erop van een hennepblaadje en een biertje en de tekst “My best friends”. De nadere bewijsoverweging van het hof houdt in dat tijdens de doorzoeking van de woning van de verdachte “een korte broek/boxershort [is] aangetroffen met cartoonfiguren erop”.
In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat van de in bewijsmiddel 7 bedoelde korte broek/boxershort niet gezegd kan worden dat dat die “cartoonfiguren” bevat, zoals het hof overweegt, en evenmin dat deze een monster afbeeldt.
De klacht gaat ervan uit dat de in bewijsmiddel 7 bedoelde afbeelding op de korte broek/boxershort – door opsporingsambtenaren omschreven als een hennepblaadje en een biertje en een tekst “My best friends” – niet ook “cartoonfiguren” of “monsters” kan afbeelden. Die gedachte volg ik niet. Een blik achter de papieren muur wijst uit dat “foto 6 en 7” waarnaar wordt verwezen in bewijsmiddel 7 afbeeldingen zijn van een biertje en een hennepblad. Beide hebben een gezicht met ogen en een mond alsmede benen met daaraan schoenen. Bij het biertje is bovendien een arm met daaraan een hand waarvan drie vingers omhoog zijn gestoken te zien. Het hof heeft de figuren zeer wel kunnen kwalificeren als “cartoonfiguren”. En deze kunnen door het vijfjarige slachtoffer zijn opgevat als “monsters”. Het feitelijke oordeel van het hof is niet onbegrijpelijk.
De tweede deelklacht faalt.
Daarmee faalt het middel.
4 Het tweede middel
Het middel houdt in dat het oordeel van het hof dat het slachtoffer een aan verdachtes zorg en waakzaamheid toevertrouwde minderjarige betrof, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting en/of ontoereikend is gemotiveerd, omdat uit de bewijsvoering slechts blijkt:
(i) dat het slachtoffer met haar broertje bij de verdachte in de tuin op de trampoline is komen springen;
(ii) dat het slachtoffer en haar broertje voor de tv en op de massagestoel hebben gezeten; en
(iii) dat het slachtoffer op een gegeven moment moe was en naast de verdachte, die op bed lag, is komen zitten en dat zij op haar telefoon heeft gezeten,
terwijl uit deze omstandigheden niet een zodanige afhankelijkheid en overwicht blijkt ten gevolge waarvan het slachtoffer minder weerstand (dan anderen) aan de verdachte kon bieden.
Bij de bespreking van het middel zijn de volgende bepalingen van belang:
- Art. 247 (oud) Sr:
“Hij die met […] iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen pleegt […], wordt gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vierde categorie”.
- Art. 248 lid 2 (oud) Sr:
“De in de artikelen […] 247 […] bepaalde gevangenisstraffen kunnen met een derde worden verhoogd, indien de schuldige het feit begaat tegen […] een aan zijn zorg […] of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige […]”.
In zijn arrest 10 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:870, r.o. 2.4 overweegt de Hoge Raad dat de strekking van de strafverzwarende omstandigheden is gelegen in “het verlenen van bescherming aan minderjarigen die als gevolg van die afhankelijkheid en dat overwicht minder weerstand aan de dader kunnen bieden dan anderen”. Uit eerdere rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van zorg of waakzaamheid niet enkel sprake is indien op de verdachte ingevolge “een daartoe strekkende hoedanigheid of kwaliteit een eigen zorgplicht rust of op hem een (feitelijke of juridische) zorgplicht geheel is overgedragen”. Daaronder valt ook degene “aan wie de feitelijke zorgplicht tijdelijk of gedeeltelijk is overgedragen”. Of sprake is van een dergelijke overdracht hangt af van alle omstandigheden van het geval, zoals “het overwicht dat tussen de verdachte en de minderjarige bestaat op grond van de aard en graad van bloedverwantschap, de plaats waar de tenlastegelegde gedragingen plaatsvonden en de leeftijd van de verdachte en van de minderjarige alsmede de duur van de betrekking tussen beiden”. Ter illustratie geef ik enkele voorbeelden uit de rechtspraak van de Hoge Raad.
In HR 8 juni 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1614, NJ 1999/590 hield het oordeel dat de verdachte ontucht had gepleegd met de aan zijn zorg en waakzaamheid toevertrouwde minderjarige in cassatie stand. Daarbij waren volgens de Hoge Raad de volgende omstandigheden van belang:
- dat sprake was van de verhouding tussen een 73-jarige grootvader en diens 13-jarige kleindochter, “waaraan – behoudens bijzondere omstandigheden waaromtrent het Hof in de bewijsvoering niets ter zake doende heeft vastgesteld – een grote mate van overwicht is verbonden”;
- dat de minderjarige “regelmatig bij de grootvader kwam logeren, kennelijk ook zonder dat haar moeder daarbij aanwezig was”;
- dat de in de bewezenverklaring genoemde handelingen “plaatsvonden in de boerderij van de grootvader, waar alstoen de minderjarige voor langere tijd logeerde”.
In HR 23 juni 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC9049, NJ 1993/8, r.o. 5.2 werd in cassatie onder meer geklaagd dat uit de bewijsvoering niet kon worden afgeleid dat het minderjarige slachtoffer in de tenlastegelegde periode ooit aan de zorg van de verdachte was toevertrouwd. Het bestreden oordeel hield in cassatie stand, nu het hof uit de bewijsmiddelen had kunnen afleiden dat “genoemde toen 14-jarige minderjarige met goedvinden van haar ouders van 29 maart 1986 tot 6 april 1986, tijdens de paasvakantie, heeft gelogeerd bij de zuster van haar moeder en de met deze zuster samenwonende verdachte en aldus aan de zorg van de verdachte was toevertrouwd”.
In zijn arrest van 22 april 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC9550, NJ 1997/546, r.o. 5.7 – waar de steller van het middel beroep op doet – werd door de Hoge Raad onvoldoende geacht “[d]e enkele omstandigheid dat het slachtoffer met toestemming van haar ouders ging oppassen bij het gezin van de verdachte”, nu dit niet zonder meer meebrengt dat “zij door haar ouders aan de zorg en waakzaamheid van de verdachte was toevertrouwd”.
In zijn conclusie voor HR 19 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS8464 merkte A-G Machielse ambtshalve op dat het enkele feit dat de aangever wel eens logeerde in verdachtes woning onvoldoende was om te kunnen spreken van een “aan zijn zorg toevertrouwd zijn”, nu daaruit niet enigerlei verhouding of contact tussen de verdachte en de moeder van de aangever. De Hoge Raad overwoog echter dat het oordeel van het hof niet getuigde van een onjuiste rechtsopvatting of onbegrijpelijk was.
In de zaak die in het (niet gepubliceerde) arrest van de Hoge Raad van 22 november 2022 voorlag, had het hof overwogen dat de aangeefster een weekend bij de verdachte en zijn vriendin bleef logeren en dat zij als minderjarige logé aan de zorg van de verdachte was toevertrouwd. Het cassatiemiddel richtte zijn pijlen op dat oordeel. A-G Spronken achtte voldoende dat de toen 16-jarige aangeefster een weekend logeerde bij een vriendin van haar moeder en haar partner, de destijds 36-jarige verdachte. A-G Spronken nam daarbij in aanmerking dat de verdachte had verklaard dat dit “bij hun thuis” was en dat niet is vereist dat uit de bewijsvoering blijk moet geven van “enig rechtstreeks contact tussen de moeder van de aangeefster en de verdachte, waarbij de aangeefster als het ware door de moeder zou zijn 'overgedragen' aan de verdachte”. De Hoge Raad deed het cassatiemiddel af met art. 81 lid 1 RO.
Het oordeel dat het slachtoffer een aan verdachtes zorg en waakzaamheid toevertrouwde minderjarige betrof, getuigt mede gelet op strekking van de strafverzwarende omstandigheid (zie onder 4.3) en de rechtspraak van de Hoge Raad (zie onder 4.4 t/m 4.8) niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet ontoereikend gemotiveerd, nu uit de bewijsvoering blijkt:
- dat de verdachte ten tijde van het bewezenverklaarde 62 jaar oud was en het slachtoffer 5 jaar oud (zie proces-verbaal van aangifte, bewijsmiddel 1);
- dat de verdachte de buurman van het slachtoffer is (zie de verklaring van de moeder van het slachtoffer van 13 juni 2021, nadere bewijsoverweging);
- dat de verdachte heeft verklaard dat hij goed met de “kinderen” omging en dat ze hem zagen als “opa” (proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 14 juni 2024);
- dat de vader van het slachtoffer kennelijk veel vertrouwen in de verdachte had, nu de vader in eerste instantie aan de politie verklaarde “zeker te weten dat de verdachte nooit aan zijn kinderen zou zitten”;
- dat het slachtoffer samen met haar broertje op de bewezenverklaarde dag bij de verdachte thuis aan het spelen waren (zie proces-vervaal van verhoor verdachte, bewijsmiddel 3; proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 14 juni 2024);
- dat de bewezenverklaarde handelingen plaatsvonden in de slaapkamer van de verdachte (zie onder meer proces-verbaal van bevindingen betreffende de uitwerking van het studioverhoor, bewijsmiddel 2); en
- dat de ouders van het slachtoffer niet aanwezig waren, nu de verdachte de vader van het slachtoffer heeft geroepen nadat “die vrouwen” ( [getuige 1] en [getuige 2] , PHvK) begonnen te schreeuwen en dat de vader toen direct is gekomen (proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 14 juni 2024).
Uit de bewijsvoering volgt dat op grond van de leeftijd van respectievelijk de verdachte en het slachtoffer, hun relatie, de plaats waar de bewezenverklaarde handelingen plaatsvonden en de afwezigheid van slachtoffers ouders, sprake is van het voor het in cassatie bestreden oordeel vereiste overwicht tussen de verdachte en de minderjarige.
Het middel faalt.
5 Het derde middel
Het middel klaagt dat de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, ontoereikend is gemotiveerd en/of onbegrijpelijk is.
Bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken van het geding bevindt zich een formulier “Verzoek tot schadevergoeding” van de [benadeelde 1] van 28 december 2021. Dit formulier houdt onder meer in:
“3.1 Hoe is uw schade ontstaan?
Zie TLL
[…]
4A Immateriële schade (smartengeld)
[…]
|
Omschrijving immateriële schade |
Bedrag |
Bijlage |
|
€ 6000,00 |
1 |
|
|
Totaal materiele schade/verplaatste schade |
€ 6.000,00” |
De bij het verzoek tot schadevergoeding van 28 december 2021 gevoegde bijlage 1 bevat een toelichting. Deze toelichting houdt onder meer het volgende in:
“Op of omstreeks 12 juni 2021 is [benadeelde 1] het slachtoffer geworden van seksueel misbruik, welk misdrijf een zeer ernstige inbreuk vormt op haar lichamelijke en geestelijke integriteit.
De gestelde onrechtmatige daad kan aan verdachte worden toegerekend, zodat deze verplicht is de schade, zowel materieel als immaterieel, welke verzoekers dientengevolge hebben geleden en lijden, te vergoeden. De geleden schade is van immateriële aard.
[…]
Verzoekers zijn van mening dat bij de vaststelling van de schade de volgende punten van belang zijn.
Gevolgen
Allereerst wordt verwezen naar de Richtlijn voor strafvordering seksueel misbruik van minderjarigen (2015R047), waarin het navolgend eis opgenomen
"Door de wetgever is de geestelijke en lichamelijke integriteit van jeugdigen jonger dan zestien jaar uitdrukkelijk beschermd. Minderjarigen bevinden zich in een kwetsbare ontwikkelingsfase. Zij moeten gelet op hun jeugdige leeftijd in het algemeen niet of in onvoldoende mate in staat worden geacht zelf hun seksuele integriteit te bewaken en/of zelfstandig de (emotionele) gevolgen van seksueel contact in schatten. Minderjarigen dienen zodoende zowel tegen zichzelf te worden beschermd als tegen personen die op seksueel gebied misbruik van hen willen maken. Dit geldt te meer indien dit seksueel contact plaatsvindt met een (veel oudere) volwassene.
Minderjarigen worden in het algemeen onvoldoende in staat geacht weerstand te bieden aan volwassenen. Door ontuchtige handelingen te plegen met een minderjarige stelt een verdachte de bevrediging van zijn eigen lustgevoelens boven de belangen van het slachtoffer. Hierdoor doorkruist den verdachte de seksuele ontwikkeling van een minderjarige, terwijl een minderjarige ongestoord hoort te kunnen groeien tot volwassenheid, zeker ook op seksueel vlak. Het is algemeen bekend dat slachtoffers van dergelijke delicten nog langdurige nadelige, psychische gevolgen daarvan (kunnen) ondervinden."
Naast de impact op het slachtoffer zelf leidt seksueel misbruik van minderjarigen vaak tot grote verontwaardiging en onrust in de maatschappij, zo moge onder andere blijken uit de reactie van onder andere de melder.
Immateriële schade
"Voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, heeft de benadeelde recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding:
a. indien de aansprakelijke persoon het oogmerk had zodanig nadeel toe te brengen;
b. indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast;
c. …………."
Het feit waarvan door de ouders van [benadeelde 1] aangifte is gedaan heeft tot gevolg gehad dat zij psychisch letsel hebben opgelopen en/of op andere wijze in de persoon zijn aangetast als bedoeld in artikel 6:106 BW.
Ten aanzien van de onderbouwing van de ‘aantasting van de persoon op andere wijze’ wordt verwezen naar hetgeen is vermeld onder het kopje Gevolgen. Verzoekers stellen dat de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen voor haar zo voor de hand liggen, dat de aantasting in de persoon kan worden aangenomen. [ HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793, r.o 2.4 5.]
Door zijn handelen heeft verdachte een dusdanige inbreuk gemaakt op een fundamenteel recht - in casu het zelfbeschikkingsrecht en de lichamelijke integriteit van [benadeelde 1] - dat dit in zichzelf als aantasting van de persoon op andere wijze zoals bedoeld in artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek dient te worden beschouwd.
Kort na het herstel van de relatie tussen het waartoe [benadeelde 1] behoort en verdachte heeft het seksueel misbruik plaatsgevonden. De man die werd gezien als Opa en het volledige vertrouwen werd geschonken, heeft dit op een zéér grove wijze beschaamd. Het is voor verzoekers en [benadeelde 1] in het bijzonder confronterend dat verdachte vlak bij het gezin woont. Als [benadeelde 1] langs de woning van verdachte loopt geeft zij aan bang te zijn. [ zie de aangifte van [benadeelde 3] ]”.
Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 14 juni heeft de raadsman van de verdachte het woord tot verdediging gevoerd overeenkomstig de overgelegde pleitnota. Deze pleitnota houdt onder meer in:
“VORDERING BENADEELDE PARTIJ
65. in het geval uw hof niet tot een vrijspraak komt en de benadeelde partijen wel ontvankelijk verklaard in de vorderingen, dan geldt het volgende.
66. De rechtbank heeft cliënt veroordeeld aan [benadeelde 1] een bedrag van € 5.000 euro te betalen.
67. Het bedrag sluit slecht aan bij de in de Letsellijst Schadefonds Geweldsmisdrijven genoemde bedragen. Daar wordt een bedrag van € 2.500 geïndiceerd bij een zedenmisdrijf zonder seksueel binnendringen bij een slachtoffer jonger dan 12 jaar (letselcategorie 2).
68. Ten slotte acht ik het van belang uw hof op relevante jurisprudentie te wijzen.
Zijn vader heeft gedurende 2 jaar meerdere malen ontuchtige handelingen met hem gepleegd, onder andere bestaande uit het betasten van zijn penis. Het slachtoffer was 9 jaar oud. Hoogte schadevergoeding: € 1.500.
Twee meisjes werden door een man gevraagd naar zijn kamer te komen, waar hij naakt in bed bleek te liggen. Hij dwong hen ontuchtige handelingen met hem te plegen, zoals het afdwingen van kusjes en het betasten van zijn geslacht. Aan elk van de meisjes is een bedrag van oorspronkelijk € 500,- toegekend.
Rb. Haarlem
parketnr. 15/750000-11
Door de 12-jarige broer van het vriendinnetje waar zij met enige regelmaat gingen spelen en logeren, werden in een periode van bijna 3 jaar ontuchtige handelingen met hen gepleegd. Deze bestonden onder meer uit het betasten van de meisjes, al dan niet zonder kleding. Tevens dwong hij hen om hem te betasten. Hierdoor heeft hij inbreuk gemaakt op hun lichamelijke integriteit, maar ook misbruik gemaakt van het overwicht dat hij als destijds 12-jarige op hen had. De meisjes waren 6 en 7 jaar oud. Dit heeft ernstige en langdurige psychisch nadelige gevolgen voor de meisjes. Aan elk van hen werd € 3.000,- toegekend”.
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 14 juni 2024 houdt over de vordering van de benadeelde partij – voor zover van belang – het volgende in:
“De voorzitter gaat over tot bespreking van de vorderingen van de benadeelde partijen.
De advocaat van de benadeelde partijen deelt mede dat de vorderingen worden gehandhaafd. […]
In aanvulling op de pleitnotities voert de raadsman aan:
[…]
4. Primair verzoek ik natuurlijk vrijspraak, maar subsidiair acht ik een schadevergoeding van € 500,- voor de ouders passend.
Desgevraagd door de voorzitter geeft de advocaat van de benadeelde partijen een nadere toelichting op de vordering van de benadeelde partijen:
De vorderingen zien uitsluitend op immateriële schade. Dat dient te worden toegewezen op basis van billijkheid. De feiten zijn weliswaar van wat langer geleden, maar de door de raadsman aangehaalde uitspraken zijn oud. We horen met de tijd mee te gaan. De bedragen die hij voorstelt doen geen recht aan het leed dat de slachtoffers hebben gehad en de spanning waar zij onder gebukt gaan. Op basis van de billijkheid zouden er andere bedragen moeten worden toegekend. Ik persisteer bij mijn vorderingen”.
Het hof heeft de vordering van de [benadeelde 1] toegewezen tot een bedrag van € 3.000,- en daartoe overwogen:
“Vordering tot schadevergoeding [benadeelde 1]
In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde 1] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde, tot een bedrag van € 6.000,00.
In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van een gedeelte van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 5.000,00, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist.
Het hof is van oordeel dat aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij door de aard en ernst van het bewezen verklaarde feit immateriële schade heeft geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het subsidiair bewezenverklaarde. De vordering leent zich – naar maatstaven van billijkheid en gelet op hetgeen in vergelijkbare zaken wordt toegewezen – voor toewijzing tot een bedrag van € 3.000,00, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 12 juni 2021 tot aan de dag der algehele voldoening.
Voor het overige levert behandeling van de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op.
Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot vergoeding van de geleden schade. Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Gelet op het voorgaande dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 1]
Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 3.000,00 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 1] .
[…]
Vordering van de [benadeelde 1]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de [benadeelde 1] ter zake van het subsidiair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 3.000,00 (drieduizend euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum, tot aan de dag der algehele voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 1] , ter zake van het subsidiair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 3.000,00 (drieduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der algehele voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 40 (veertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan één van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 12 juni 2021.”
In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat namens de benadeelde partij onvoldoende concrete gegevens zijn aangedragen “waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden psychische schade is ontstaan” en dat derhalve het bestaan van het geestelijk letsel niet naar objectieve maatstaven kan worden vastgesteld. Voorts wordt in de toelichting aangevoerd dat ook overigens concrete gegevens ontbreken waaruit volgt dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in art. 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon “op andere wijze” sprake is. En in de toelichting wordt aangevoerd dat niet kan worden gezegd dat de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen.
Bij de bespreking van het middel zijn de volgende bepalingen van belang:
“Voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, heeft de benadeelde recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding:
a. […]
b. indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast;
c. […]”
“Tenzij uit de wet anders voortvloeit, mag de rechter slechts die feiten of rechten aan zijn beslissing ten grondslag leggen, die in het geding aan hem ter kennis zijn gekomen of zijn gesteld en die overeenkomstig de voorschriften van deze afdeling zijn komen vast te staan. Feiten of rechten die door de ene partij zijn gesteld en door de wederpartij niet of niet voldoende zijn betwist, moet de rechter als vaststaand beschouwen, behoudens zijn bevoegdheid bewijs te verlangen, zo vaak aanvaarding van de stellingen zou leiden tot een rechtsgevolg dat niet ter vrije bepaling van partijen staat”.
Bij de bespreking van het middel is het volgende van belang. In HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793, NJ 2018/379 m.nt. Vellinga stelt de Hoge Raad onder meer het volgende voorop (met weglating van de voetnoten):
“b) Ander nadeel dat voor vergoeding in aanmerking komt: immateriële schade (art. 6:106 BW)
Art. 6:106 BW geeft een limitatieve opsomming van gevallen waarin deze bepaling recht geeft op vergoeding van immateriële schade als gevolg van onrechtmatig handelen, te weten in geval van:
a. oogmerk om zodanige schade toe te brengen, bijvoorbeeld indien de verdachte iemand heeft gedood met het oogmerk aan de benadeelde partij immateriële schade toe te brengen;
b. aantasting in de persoon: 1) door het oplopen van lichamelijk letsel, 2) door schade in zijn eer of goede naam of 3) op andere wijze;
c. bepaalde gevallen van aantasting van de nagedachtenis van een overledene.
Van de onder b.3) bedoelde aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in art. 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in art. 6:106, aanhef en onder b, BW is niet reeds sprake bij de enkele schending van een fundamenteel recht.
[…]
Beoordeling en beslissing rechter
Voor de toewijsbaarheid van de vordering van de benadeelde partij gelden niet de bewijs(minimum)regels van het Wetboek van Strafvordering maar de regels van stelplicht en bewijslastverdeling in civiele zaken. Overeenkomstig de hoofdregel van artikel 150 Rv rust op de benadeelde partij die een vordering instelt in beginsel de last de feiten en omstandigheden te stellen – en in geval van betwisting daarvan bewijs bij te brengen – die tot toewijzing van de vordering kunnen leiden. In de context van het strafproces heeft die stelplicht in het bijzonder betrekking op de feiten en omstandigheden die niet kunnen worden vastgesteld aan de hand van uit het strafdossier af te leiden gegevens met betrekking tot het aan de verdachte tenlastegelegde strafbare feit, hetgeen in het bijzonder geldt voor feiten en omstandigheden die bepalend zijn voor de aard en omvang van de gevorderde schade.
In het geval de verdachte de vordering van de benadeelde partij betwist zal de rechter aan de hand van de onderbouwing van de stellingen over en weer moeten beoordelen of de feiten en omstandigheden die tot toewijzing van de vordering kunnen leiden in voldoende mate zijn komen vast te staan.
In het geval de verdachte de vordering van de benadeelde partij niet (gemotiveerd) betwist, zal de rechter uitgaan van de juistheid van de daaraan ten grondslag gelegde feiten (vgl. artikel 149 Rv) en zal de vordering in de regel worden toegewezen, tenzij de vordering onrechtmatig of ongegrond voorkomt of zich het hiervoor onder 2.1 bedoelde geval voordoet waarin de rechter door de beperkingen van het strafproces niet verzekerd acht dat beide partijen in voldoende mate in de gelegenheid zijn geweest hun stellingen en onderbouwingen met betrekking tot de toewijsbaarheid genoegzaam naar voren te brengen. In laatstgenoemd geval ligt het in de rede dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is en zij haar vordering bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. Slechts in gevallen waarin de niet-toewijsbaarheid niet volgt uit de beperkingen van het strafproces, de benadeelde partij genoegzaam in de gelegenheid is geweest haar vordering te onderbouwen en de ongegrondheid van die vordering in voldoende mate is komen vast te staan, kan de rechter ervoor kiezen de vordering af te wijzen.
[...]
De begroting van immateriële schade geschiedt naar billijkheid met inachtneming van alle omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de aansprakelijke te maken verwijt, alsmede, in geval van letselschade, de aard van het letsel, de ernst van het letsel (waaronder de duur en de intensiteit), de verwachting ten aanzien van het herstel en de leeftijd van het slachtoffer. Voorts dient de rechter bij de begroting, indien mogelijk, te letten op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend”.
In zijn arrest van 2 juni 2026, ECLI:NL:HR:2026:822 heeft de Hoge Raad rechtsoverweging 2.4.5 van het hierboven geciteerde arrest van 28 mei 2019 verder uitgelegd. De Hoge Raad overwoog (met weglating van de voetnoten):
“3.5.4. De eerste van de drie […] bedoelde categorieën betreft gevallen waarin sprake is van geestelijk letsel. Als de benadeelde zich beroept op het bestaan van geestelijk letsel zal hij, ook als het bestaan van dat geestelijk letsel niet door de verdachte wordt betwist, voldoende concrete gegevens moeten verschaffen waaruit kan volgen dat psychische schade is ontstaan, zodat de rechter het bestaan van geestelijk letsel naar objectieve maatstaven kan vaststellen. Doorgaans zal het dan gaan om een rapportage van een deskundige, zoals een ter zake bevoegde en bekwame psychiater, huisarts of psycholoog. Niet is vereist dat in die rapportage een diagnose van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld wordt gesteld; voldoende kan zijn dat daaruit blijkt van geestelijk letsel dat gelet op aard, duur en/of gevolgen ernstig is, en in voldoende mate objectiveerbaar.
Een aan de rechtspraak ontleend voorbeeld waarin sprake was van geestelijk letsel:
- een door een psychiater vastgestelde posttraumatische stress-stoornis na een diefstal met geweld en bedreiging met geweld uit een winkel waarin de benadeelde partij werkzaam is.
De tweede categorie betreft gevallen waarin het bestaan van geestelijk letsel niet naar objectieve maatstaven kan worden aangenomen, maar waarin de aard en de ernst a) van de normschending en b) van de nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat sprake is van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’. Het gaat hierbij om een weging van deze factoren bezien in onderlinge samenhang, waarbij, naarmate de aard en de ernst van de normschending ingrijpender zijn, een aantasting in de persoon meer voor de hand ligt. Daarbij is het in beginsel aan de benadeelde partij om de vordering met concrete gegevens te onderbouwen. Het gaat dan in het bijzonder om concrete gegevens over de (aard en ernst van de) gevolgen die de normschending voor de benadeelde heeft gehad, omdat de aard en de ernst van de normschending zelf doorgaans kunnen worden vastgesteld aan de hand van uit het strafdossier af te leiden gegevens over het aan de verdachte tenlastegelegde strafbare feit.
Als de door de benadeelde partij gestelde gevolgen niet worden betwist, kan de rechter uitgaan van de juistheid daarvan. Voor zover de door de benadeelde partij gestelde gevolgen door of namens de verdachte wel worden betwist, zal de rechter aan de hand van de onderbouwing van de stellingen over en weer kunnen beoordelen of de gevolgen in voldoende mate zijn komen vast te staan. Als dat niet het geval is, kan de rechter, behoudens in de gevallen bedoeld in 3.5.6, geen aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ aannemen. Datzelfde geldt als de benadeelde partij onvoldoende heeft gesteld over de gevolgen die de normschending voor haar heeft gehad.
Aan de rechtspraak ontleende voorbeelden van een aantasting in de persoon in deze tweede categorie:
- verlies van vertrouwen in anderen, beëindiging van sociale contacten en imagoschade als gevolg van langdurige en intensieve belaging;
- angst en gevoelens van onzekerheid na belaging;
- zich onveilig voelen op het werk en het ondergaan van EMDR-behandelingen in verband met een overval en bedreiging met een wapen;
- grote emotionele gevolgen en last daarvan tijdens de uitoefening van de werkzaamheden als gevolg van vrees voor het leven na op de snelweg met hoge snelheid in een politieauto van de weg te zijn gedrukt.
Naast de twee hiervoor besproken categorieën kan in uitzonderlijke gevallen ook een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ worden aangenomen zonder dat in rechte is komen vast te staan welke concrete gevolgen de benadeelde heeft ondervonden van de normschending. In deze – […] als derde aangeduide – categorie gaat het om gevallen waarin de aard en de ernst van de normschending van zodanig groot gewicht zijn, en de nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde dus zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon zonder meer kan worden aangenomen. Van de benadeelde partij wordt dan niet verlangd dat zij concrete gegevens aanvoert over de gevolgen die de normschending voor haar heeft gehad.
Aan de rechtspraak ontleende voorbeelden van een aantasting in de persoon in deze derde categorie:
- verkrachting waarbij sprake was van geweld, andere feitelijkheden en bedreiging met geweld;
- woningoverval waarbij de slachtoffers zijn vastgebonden, hun monden zijn vastgeplakt, zij met een vuurwapen zijn bedreigd en een van de benadeelden een klap in zijn nek heeft gekregen en is bedreigd met het afsnijden van zijn geslachtsdeel;
- verkrachting van een 16-jarig meisje na het heimelijk toedienen van GHB.
Opmerking verdient nog dat de concrete gevolgen van de normschending ook hier van belang kunnen zijn voor de begroting van de schade, die immers geschiedt naar billijkheid met inachtneming van alle omstandigheden van het geval. Als de rechter oordeelt dat op basis van de aard en de ernst van de normschending een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ zonder meer kan worden aangenomen, en de benadeelde partij de concrete gevolgen die de normschending voor haar heeft gehad niet nader heeft toegelicht, kan de rechter in beginsel volstaan met toewijzing van een in het algemeen bij het geval passend bedrag dat strookt met bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend. Om aanspraak te maken op een specifieker op het concrete geval afgestemde vergoeding zal de benadeelde partij de rechter voldoende aanknopingspunten moeten bieden voor het naar billijkheid begroten van de immateriële schade, door feiten en omstandigheden te stellen over de gevolgen die zij van het bewezenverklaarde feit heeft ondervonden. Als die feiten en omstandigheden door of namens de verdachte worden betwist, zal de rechter aan de hand van de onderbouwing van de stellingen over en weer moeten beoordelen of zij in voldoende mate zijn komen vast te staan.”
Het hof heeft de vordering tot vergoeding van immateriële schade van de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde – met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen, terwijl de schuldige het feit begaat tegen een aan zijn zorg en waakzaamheid toevertrouwde minderjarige – toegewezen tot een bedrag van € 3.000, vermeerderd met de wettelijke rente. Het hof heeft daartoe overwogen dat “aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij door de aard en ernst van het bewezen verklaarde feit immateriële schade heeft geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het subsidiair bewezenverklaarde”.
In hoger beroep heeft de raadsman van de benadeelde partij gepersisteerd bij zijn vorderingen. In de toelichting bij het verzoek tot schadevergoeding is aangevoerd dat de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen voor haar zo voor de hand liggen, dat de aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Ter onderbouwing is in de toelichting aangevoerd dat “ [benadeelde 1] het slachtoffer [is] geworden van seksueel misbruik, welk misdrijf een zeer ernstige inbreuk vormt op haar lichamelijke en geestelijke integriteit” en dat de verdachte door zijn handelen inbreuk heeft gemaakt op een fundamenteel recht, namelijk het zelfbeschikkingsrecht en de lichamelijke integriteit van [benadeelde 1] . Ter zake van de gevolgen is in de toelichting een citaat uit de Richtlijn voor strafvordering seksueel misbruik van minderjarigen opgenomen. Dit citaat houdt onder meer in dat minderjarigen “zich in een kwetsbare ontwikkelingsfase” bevinden, dat door ontuchtige handelingen te plegen met een minderjarige een verdachte “de seksuele ontwikkeling” van een minderjarige “doorkruist”, terwijl “een minderjarige ongestoord hoort te kunnen groeien tot volwassenheid, zeker ook op seksueel vlak”, dat het “algemeen bekend [is] dat slachtoffers van dergelijke delicten nog langdurige nadelige, psychische gevolgen daarvan (kunnen) ondervinden” en dat “seksueel misbruik van minderjarigen vaak tot grote verontwaardiging en onrust in de maatschappij” leidt. Voorts is in de nadere toelichting, met verwijzing naar de aangifte van de vader van de benadeelde partij, erop gewezen dat de verdachte – “de man die werd gezien als Opa en het volledige vertrouwen werd geschonken” – dit vertrouwen “op een zéér grove wijze [heeft] beschaamd”, dat het voor de benadeelde partij in het bijzonder confronterend is dat verdachte vlak bij het gezin woont en dat als de benadeelde partij langs de woning van de verdachte loopt zij aangeeft bang te zijn.
In hoger beroep zijn de door de benadeelde partij gestelde gevolgen niet namens de verdachte betwist en is enkel verweer gevoerd over de hoogte van de vordering. Het hof kon daarom uitgaan van de juistheid van de door de benadeelde partij gestelde gevolgen (zie HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793, NJ 2018/379 m.nt. Vellinga, r.o. 2.8.3 en HR 2 juni 2026, ECLI:NL:HR:2026:822, r.o. 3.5.5). Reeds omwille daarvan getuigt het in cassatie bestreden oordeel niet van een onjuiste rechtsopvatting, is dit oordeel niet ontoereikend gemotiveerd en is het evenmin onbegrijpelijk. Ook overigens is voornoemd oordeel, gelet op de onderbouwing van de vordering van de benadeelde partij (onder 5.12), niet ontoereikend gemotiveerd en niet onbegrijpelijk. Ik wijs er daarbij op dat [benadeelde 1] slechts vijf jaar oud was ten tijde van de feiten en voorts dat gezien haar jonge leeftijd nader onderzoek naar de precieze psychische gevolgen voor haar juist op zichzelf weer wezenlijk belastende gevolgen kan hebben zodat in dit opzicht terughoudendheid op zijn plaats is. Verder merk ik op dat de rechtspraak van de Hoge Raad die inhoudt dat bij de enkele schending van een fundamenteel recht niet reeds sprake is van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in art. 6:106 aanhef en onder b BW, niet wegneemt dat zodanige schending wel gewicht in de schaal kan leggen bij de algehele beoordeling van de aard en ernst van de gevolgen. Van belang is dan dat het in dit geval om zeer serieuze schendingen gaat (betreffende de lichamelijke en geestelijke integriteit en het zelfbeschikkingsrecht van [benadeelde 1] ), waarbij ik nog opmerk dat de bewijsvoering inhoudt dat het handelen van de verdachte fysiek pijn deed bij het slachtoffer (zie ook bewijsmiddel 2) en dat de verdachte tegen het slachtoffer heeft gezegd dat zij niets tegen papa en mama mocht zeggen, welke beide omstandigheden kunnen bijdragen aan de psychische belasting voor het slachtoffer. Daarnaast is hier relevant dat de onderbouwing van de vordering van de benadeelde partij in de onderhavige zaak zich er geenszins toe beperkt dat sprake is van de schending van fundamentele rechten.
6 Het vierde middel
Het middel klaagt dat de inzendtermijn in de cassatiefase is overschreden.
Het cassatieberoep is ingesteld op 9 juli 2024. De stukken van het geding zijn op 9 oktober 2025 ter griffie van de Hoge Raad ontvangen. Dit brengt met zich dat de inzendtermijn van 8 maanden met 7 maanden is overschreden. Deze overschrijding kan niet meer worden gecompenseerd door een voortvarende afdoening. Dat moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf.
Het middel slaagt.
7 Afronding
Het eerste, tweede en derde middel falen. Het vierde middel slaagt.
Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak zal doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken sinds de instelling van het cassatieberoep op 9 juli 2024. Dit betekent dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM in de cassatiefase is overschreden. Ook dat moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf naar de gebruikelijke maatstaf. Voor het overige heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG