Strafrecht overig
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het plegen van ontucht met een buurmeisje van destijds 5 jaar…
Gerechtshof Den Haag, 28 juni 2024
ECLI:NL:GHDHA:2024:1467 · Gerechtshof Den Haag · 28 juni 2024
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-den-haag/strafrecht/strafrecht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-ghdha-2024-1467
Zaakgegevens
Op 28 juni 2024 heeft het Gerechtshof Den Haag in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Gerechtshof Den HaagGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Datum uitspraak
- 28 juni 2024
- Datum publicatie
- 22 augustus 2024
- Zaaknummer
- 22-000327-22
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHDHA:2024:1467
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het plegen van ontucht met een buurmeisje van destijds 5 jaar oud, die aan zijn zorg was toevertrouwd.
Gepubliceerd naar aanleiding van het arrest van de Hoge Raad.
Procesgang
Gerechtshof Den Haag · 28 juni 2024deze uitspraak
ECLI:NL:GHDHA:2024:1467
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 1 september 2026
ECLI:NL:PHR:2026:761Hoge Raad · 6 oktober 2026
ECLI:NL:HR:2026:1611
Uitspraak
Rolnummer: 22-000327-22
Parketnummer: 10-211651-21
Datum uitspraak: 28 juni 2024
TEGENSPRAAK
Gerechtshof Den Haag
meervoudige kamer voor strafzaken
Arrest
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 20 januari 2022 in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum 1] 1958,
adres: [woonadres] , [woonplaats] .
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het subsidiair tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden, waarvan 2 maanden voorwaardelijk, met aftrek van het voorarrest, een proeftijd van 2 jaren en met oplegging van de bijzondere voorwaarde inhoudende een meldplicht. Tevens is aan de verdachte een dadelijk uitvoerbaar verklaarde maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid voor de duur van twee jaren opgelegd, inhoudende een contactverbod met het slachtoffer, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep. Ten slotte zijn beslissingen genomen op de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals eveneens nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.
Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 12 juni 2021 te Rotterdam met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren, te weten met [het slachtoffer] (geboren op [geboortedatum 2] 2015), handelingen heeft gepleegd die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [het slachtoffer] , namelijk het, meermalen, althans eenmaal,
- betasten van en/of wrijven met zijn, verdachtes, hand over de (blote) vagina en/of de schaamstreek van die [het slachtoffer] en/of
- brengen van en/of wrijven met zijn, verdachtes, vinger(s) tussen de schaamlippen van die [het slachtoffer] en/of
- houden van een seksspeeltje, althans een trillend voorwerp, tegen de (blote) vagina van die [het slachtoffer] en/of - kussen en/of likken van de (blote) vagina van die [het slachtoffer] en/of
- brengen en/of houden en/of bewegen van zijn, verdachtes, tong in de vagina, althans tussen de schaamlippen van die [het slachtoffer] , terwijl die [het slachtoffer] aan zijn zorg en/of waakzaamheid was toevertrouwd;
subsidiair
hij op of omstreeks 12 juni 2021 te Rotterdam, met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren, en met de aan zijn, verdachtes, zorg en waakzaamheid toevertrouwde minderjarige, te weten [het slachtoffer] (geboren op [geboortedatum 2] 2015), meermalen, althans eenmaal, buiten echt een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, namelijk het
- betasten van en/of wrijven met zijn, verdachtes, hand over de vagina en/of de schaamstreek van die [het slachtoffer] en/of
- brengen van en/of wrijven met zijn, verdachtes, vinger(s) tussen de schaamlippen van die [het slachtoffer] en/of
- houden van een seksspeeltje, althans een trillend voorwerp, tegen de (blote) vagina van die [het slachtoffer] en/of - kussen en/of likken van de (blote) vagina van die [het slachtoffer] en/of
- brengen en/of houden en/of bewegen van zijn, verdachtes, tong in de vagina, althans tussen de schaamlippen van die [het slachtoffer] .
Vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het subsidiair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden, waarvan 2 maanden voorwaardelijk, met aftrek van het voorarrest, een proeftijd van 2 jaren en met oplegging van de bijzondere voorwaarde, inhoudende een meldplicht bij de reclassering.
Het vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet geheel verenigt.
Vrijspraak primair tenlastegelegde
Met de verdediging en de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen aan de verdachte primair ten laste is gelegd, zodat de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsoverweging
Op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting stelt het hof de volgende feiten en omstandigheden vast.
Op 12 juni 2021 maakte getuige [getuige 1] melding bij de politie dat zij vanuit haar woning had gezien dat de verdachte op zijn bed lag met een meisje van rond de zes jaar oud en dat de verdachte het meisje onder de rok zou hebben aangeraakt. De verdachte zou met zijn handen over de blote benen van het meisje hebben gewreven in de richting van haar schaamstreek. De politie is vervolgens naar de woning van de verdachte gegaan en trof daar de vader van het slachtoffer aan, die verklaarde zeker te weten dat de verdachte nooit aan zijn kinderen zou zitten. Verderop in de woning trof zij de verdachte aan, gekleed in een boxershort en T-shirt en ruikend naar het inwendig gebruik van alcohol.
Op 13 juni 2021 heeft de moeder van het vijfjarige slachtoffer zich bij de politie gemeld, aangezien het slachtoffer haar had verteld dat de buurman (de verdachte) aan haar geslachtsdeel had gezeten. Naar aanleiding hiervan werd op 23 juni 2021 een ‘informatief gesprek zeden’ gehouden met de ouders van het slachtoffer. Zij verklaarden dat het slachtoffer, toen zij op de avond van het misbruik door haar vader naar bed werd gebracht, vertelde dat de verdachte in haar broekje was geweest met trillende vingers en dat het pijn deed, maar dat zij niets tegen papa en mama mocht zeggen. Vervolgens deed het slachtoffer in het bijzijn van haar moeder nogmaals haar verhaal en verklaarde zij dat de verdachte aan haar “nunu” had gezeten.
Op 9 juli 2021 is door de vader van het slachtoffer aangifte gedaan.
Op 28 juli 2021 is het slachtoffer in een kindvriendelijke studio gehoord door een gecertificeerd zedenrechercheur. Zij heeft toen onder andere verklaard dat de verdachte haar benen uit elkaar had gedaan en haar onderbroekje aan de kant had geschoven. Ook heeft zij verklaard dat de verdachte haar “noenoe” had geaaid en met een trilvinger aan haar “noenoe” had gezeten. Dit zou gebeurd zijn terwijl zij lag op het bed van de verdachte. De verdachte zou een bruin hemd en een monsterbroek aan hebben gehad. De trilvinger kwam uit een bruine portemonnee die op de kast lag. Tijdens de doorzoeking van de woning van de verdachte is op de plankenkast een bruine toilettas gevonden. Ook is een korte broek/boxershort aangetroffen met cartoonfiguren erop.
Op 7 augustus 2021 heeft de verdachte bij de politie verklaard dat hij op zijn bed lag en het slachtoffer op zijn bed zat. De verdachte ontkent enige seksuele handeling bij het slachtoffer verricht te hebben.
Op 12 augustus 2021 zijn [getuige 1] en [getuige 2] , als getuigen gehoord door de politie. Kort samengevat hebben zij verklaard dat zij vanaf hun balkon zicht hebben op de woning en de slaapkamer van de verdachte, hetgeen is bevestigd door de politie. Zij zagen dat het slachtoffer met haar broertje in de tuin aan het spelen was, naar binnen werd geroepen door de verdachte en bij hem op bed lag. Ook zagen zij dat de verdachte vervolgens het slachtoffer aanraakte bij haar borsten, benen en buik en dat hij ter hoogte van haar schaamstreek wreef. Ten slotte is waargenomen dat zijn hand onder haar rokje ging. Zij begonnen vanaf hun balkon naar de verdachte te schreeuwen, zodat hij zou stoppen.
Ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat hij enkel het vuil van het slachtoffer wilde afvegen, nu zij smerig zou zijn geworden van het springen op de trampoline, die in de tuin van de verdachte stond. Hij zou daarbij haar rug, buik, benen en liesstreek hebben aangeraakt.
Ten behoeve van de behandeling in hoger beroep zijn het slachtoffer en de beide genoemde getuigen opnieuw gehoord, door de raadsheer-commissaris.
Verweer verdediging
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte integrale vrijspraak bepleit. De raadsman stelt daartoe dat de verklaringen van het slachtoffer niet betrouwbaar zijn en daarom niet voor het bewijs mogen worden gebezigd. Voorts stelt de raadsman dat de verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] niet als (steun)bewijs kunnen dienen, gelet op de verschillen tussen hun verklaringen bij de politie en de nadien door hen bij de raadsheer-commissaris afgelegde verklaringen.
Het hof oordeelt als volgt.
Het (ten tijde van het tenlastegelegde) vijfjarige slachtoffer heeft twee keer een verklaring afgelegd, namelijk op 28 juli 2021 en op 19 januari 2024 bij een gespecialiseerd (zeden)rechercheur in een kindvriendelijke studio. Het eerste verhoor heeft ruim een maand na het ten laste gelegde misbruik plaatsgevonden. Het tweede verhoor is bijna drie jaren later afgenomen. Hoewel het slachtoffer in haar tweede verhoor niet tegenstrijdig verklaart met haar eerste verklaring, lijkt deze verklaring wel te zijn beïnvloed door de tijd en wellicht door gesprekken van het jeugdige slachtoffer met bijvoorbeeld haar ouders. Gelet hierop zal het hof de tweede verklaring van het slachtoffer niet gebruiken voor het bewijs.
De eerste verklaring van het slachtoffer acht het hof betrouwbaar, nu zij consistent en gedetailleerd heeft verklaard over de seksuele handelingen die zij heeft moeten ondergaan en nu haar verklaring op essentiële onderdelen steun vindt in andere bewijsmiddelen, waaronder de eerste melding bij de politie door de getuige [getuige 1] , de getuigenverklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] , het proces-verbaal van aantreffen verdachte op 12 juni 2021, het politieverhoor van de verdachte en de aangetroffen voorwerpen in de woning van de verdachte.
Het hof is voorts van oordeel – anders dan de verdediging – dat de verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] betrouwbaar zijn en als (steun)bewijs kunnen dienen. Zij hebben verklaard op 12 juni 2021 bepaalde seksuele handelingen te hebben waargenomen, waardoor zij zodanig geschokt waren dat zij aanleiding zagen om hiervan melding te doen bij de politie. De verklaringen die [getuige 1] dezelfde dag nog heeft afgelegd, alsmede de verklaringen die [getuige 1] en [getuige 2] als getuigen bij de politie hebben afgelegd, waren ten aanzien van de seksuele handelingen specifiek. Dat de getuigen twee jaar later, bij de raadsheer-commissaris, op onderdelen anders en minder specifiek hebben verklaard over de handelingen die de verdachte zou hebben verricht doet – mede gelet op het tijdsverloop -aan de betrouwbaarheid van hun eerdere verklaringen niet af. De getuigen bevestigen bij de raadsheer-commissaris dat zij hebben gezien dat de verdachte het slachtoffer op het bed in de slaapkamer van de verdachte heeft betast en dat dit voor hen aanleiding was om te gaan schreeuwen en om de politie erbij te halen.
Het hof acht de verklaring van de verdachte dat hij slechts vuil van het slachtoffer heeft afgeveegd ongeloofwaardig, gelet op de verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] . In dit verband acht het hof van belang dat de verdachte, eerst ter terechtzitting in eerste aanleg - maar niet in zijn verhoor als verdachte bij de politie - heeft verklaard dat hij het slachtoffer naar binnen heeft geroepen omdat haar broertje om haar heen aan het springen was en hij die situatie gevaarlijk vond.
Daarbij komt dat de verdachte wisselend heeft verklaard over de positie van het slachtoffer, terwijl hij haar - naar zijn zeggen - aan het afvegen was. Bij de politie heeft de verdachte verklaard dat hij op bed lag en het slachtoffer voor hem op bed zat. Eerst ter terechtzitting in hoger beroep heeft hij verklaard dat hij op bed zat en zij voor hem stond.
Het is moeilijk voorstelbaar dat indien het slachtoffer zich in een zittende positie zou hebben bevonden, de verdachte in staat zou zijn geweest om vuil van haar af te vegen, op de wijze zoals hij heeft beschreven. Beide verklaringen van de verdachte op dit punt zijn strijdig met de verklaringen van de getuigen inhoudende dat het slachtoffer bij de verdachte op bed heeft gelegen, terwijl hij haar aanraakte. Daarvan gaat – zeker in combinatie met de handelingen die het slachtoffer en de getuigen beschrijven - een sterk seksuele context uit. Tenslotte valt niet in te zien waarom de verdachte bij het “afvegen” onder het rokje van het slachtoffer zou hebben moeten reiken en daarbij ook haar buik en liesstreek zou hebben moeten aanraken.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
subsidiair
hij op of omstreeks 12 juni 2021 te Rotterdam, met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren, en met de aan zijn, verdachtes, zorg en waakzaamheid toevertrouwde minderjarige, te weten [het slachtoffer] (geboren op [geboortedatum 2] 2015), meermalen, althans eenmaal, buiten echt een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, namelijk het
- betasten van en/of wrijven met zijn, verdachtes, hand over de vagina en/of de schaamstreek van die [het slachtoffer] en/of
- brengen van en/of wrijven met zijn, verdachtes, vinger(s) tussen de schaamlippen van die [het slachtoffer] en/of
- houden van een seksspeeltje, althans een trillend voorwerp, tegen de (blote) vagina van die [het slachtoffer] en/of - kussen en/of likken van de (blote) vagina van die [het slachtoffer] en/of
- brengen en/of houden en/of bewegen van zijn, verdachtes, tong in de vagina, althans tussen de schaamlippen van die [het slachtoffer].
Hetgeen meer of anders ten laste is gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
Bewijsvoering
Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het subsidiair bewezenverklaarde levert op:
met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen, terwijl de schuldige het feit begaat tegen een aan zijn zorg en waakzaamheid toevertrouwde minderjarige.
Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
Strafmotivering
Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de aard en ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het plegen van ontucht met een buurmeisje van destijds 5 jaar oud, die aan zijn zorg was toevertrouwd. Het slachtoffer speelde graag met haar broertje op de trampoline bij de verdachte in de tuin. De verdachte heeft misbruik gemaakt van het vertrouwen dat het slachtoffer en haar ouders in hem hadden door het slachtoffer tijdens het spelen bij hem te roepen en haar vagina en schaamstreek te betasten. De verdachte heeft met zijn handelen ernstig inbreuk gemaakt op de lichamelijke en psychische integriteit van het nog zeer jonge slachtoffer. Jonge slachtoffers van ontucht ondervinden in de regel nog geruime tijd de (psychische) gevolgen van hetgeen hun is aangedaan. Dit soort delicten veroorzaken bovendien gevoelens van angst, onveiligheid en beroering in de maatschappij. De verdachte heeft zich hieraan echter niets gelegen laten liggen en zich laten leiden door zijn eigen lustgevoelens. Dit rekent het hof de verdachte zwaar aan.
Justitiële Documentatie
Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 31 mei 2024, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van andersoortige strafbare feiten.
Persoonlijke omstandigheden
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard nog licht verslaafd te zijn aan alcohol. Hij is in behandeling bij Antes en slikt medicijnen ter bestrijding van zijn alcoholverslaving. Voorts heeft de verdachte verklaard dat hij meerdere keren is mishandeld, door de ouders en de broer van het slachtoffer, hetgeen heeft geresulteerd in een strafzaak tegen de ouders. De verdachte ervaart hierdoor veel spanning.
Het hof heeft acht geslagen op een ten behoeve van de zitting in eerste aanleg opgemaakt reclasseringsadvies d.d. 29 september 2021. Hierin werd geadviseerd tot oplegging van een (deels) voorwaardelijke straf met als bijzondere voorwaarden een meldplicht, ambulante behandeling, meewerken aan middelencontrole, een contactverbod en inzage in het gebruik van gegevensdragers van de verdachte.
Gezien de aard en ernst van het feit kan naar het oordeel van het hof niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur daarvan heeft het hof acht geslagen op de ernst van het bewezen verklaarde feit en de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. Het hof ziet – met de advocaat-generaal – aanleiding om naast een onvoorwaardelijke gevangenisstraf een voorwaardelijk deel op te leggen met daaraan gekoppeld een meldplicht en toezicht door de reclassering.
Door de rechtbank is voorts een vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht, inhoudende een contactverbod met het slachtoffer, voor de duur van 2 jaren opgelegd en dadelijk uitvoerbaar verklaard. Het hof acht, mede gelet op het tijdsverloop, thans geen termen meer aanwezig om deze vrijheidsbeperkende maatregel – die inmiddels is geëxpireerd - opnieuw op te leggen.
Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
Vordering tot schadevergoeding [het slachtoffer]
In het onderhavige strafproces heeft [het slachtoffer] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde, tot een bedrag van € 6.000,00.
In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van een gedeelte van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 5.000,00, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist.
Het hof is van oordeel dat aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij door de aard en ernst van het bewezen verklaarde feit immateriële schade heeft geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het subsidiair bewezenverklaarde. De vordering leent zich - naar maatstaven van billijkheid en gelet op hetgeen in vergelijkbare zaken wordt toegewezen - voor toewijzing tot een bedrag van € 3.000,00, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 12 juni 2021 tot aan de dag der algehele voldoening.
Voor het overige levert behandeling van de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op.
Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot vergoeding van de geleden schade. Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Gelet op het voorgaande dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [het slachtoffer]
Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 3.000,00 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [het slachtoffer] .
Vordering tot schadevergoeding [benadeelde partij 1]
In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij 1] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde, tot een bedrag van € 1.000,00.
In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van een gedeelte van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 500,00, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist.
De namens de benadeelde partij ingediende vordering ter zake van immateriële schade ten bedrage van € 1.000,00 ziet op schade met als grondslag “aantasting in de persoon op andere wijze”, zoals bedoeld in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek. Het hof is van oordeel dat deze vordering namens de benadeelde partij onvoldoende is onderbouwd en een rechtstreeks verband met het bewezenverklaarde onvoldoende aannemelijk is gemaakt. Het vormt een onevenredige belasting van het strafgeding om de benadeelde partij de gelegenheid te geven dit deel van de vordering verder te onderbouwen. Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering tot vergoeding van de geleden schade. Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Gelet op het voorgaande dient de benadeelde partij te worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vordering heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.
Vordering tot schadevergoeding [benadeelde partij 2]
In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij 2] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde, tot een bedrag van € 1.000,00.
In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van een gedeelte van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 500,00, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist.
De namens de benadeelde partij ingediende vordering ter zake van immateriële schade ten bedrage van € 1.000,00 ziet op schade met als grondslag “aantasting in de persoon op andere wijze”, zoals bedoeld in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek. Het hof is van oordeel dat deze vordering namens de benadeelde partij onvoldoende is onderbouwd en een rechtstreeks verband met het bewezenverklaarde onvoldoende aannemelijk is gemaakt. Het vormt een onevenredige belasting van het strafgeding om de benadeelde partij de gelegenheid te geven dit deel van de vordering verder te onderbouwen. Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering tot vergoeding van de geleden schade. Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Gelet op het voorgaande dient de benadeelde partij te worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vordering heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 63 en 247 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het subsidiair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) maanden.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 2 (twee) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten.
Verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 2 (twee) jaar.
Tenuitvoerlegging kan worden gelast als de verdachte de algemene voorwaarde niet naleeft en ook als de verdachte gedurende de proeftijd de bijzondere voorwaarde niet naleeft, of een voorwaarde die daaraan van rechtswege is verbonden.
Stelt als algemene voorwaarde dat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig zal maken.
Stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte verplicht is zich gedurende de volledige proeftijd te melden bij Reclassering Nederland, zo vaak en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht.
Verstaat dat van rechtswege de volgende voorwaarden zijn verbonden aan de hierboven genoemde bijzondere voorwaarde:
-
de verdachte zal ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verlenen aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden;
-
de verdachte zal medewerking verlenen aan reclasseringstoezicht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht.
Geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarde en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Vordering van de benadeelde partij [het slachtoffer]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [het slachtoffer] ter zake van het subsidiair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 3.000,00 (drieduizend euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum, tot aan de dag der algehele voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [het slachtoffer] , ter zake van het subsidiair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 3.000,00 (drieduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der algehele voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 40 (veertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan één van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 12 juni 2021.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]
Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 1] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]
Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 2] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door mr. H.M.D. de Jong,
mr. F.W. Pieters en mr. R. Brand, in bijzijn van de griffier mr. S. Roos.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 28 juni 2024.
mr. R. Brand en mr. S. Roos zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.