Strafrecht overig

Vrijspraak meineed buitengewoon opsporingsambtenaar. Niet kan worden vastgesteld dat de verdachte in zijn…

Gerechtshof Den Haag, 14 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 14 oktober 2026 heeft het Gerechtshof Den Haag in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Zittingsplaats
Den Haag
Datum uitspraak
14 oktober 2026
Datum publicatie
15 oktober 2026
Zaaknummer
22-002494-24
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHDHA:2026:3061
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Vrijspraak meineed buitengewoon opsporingsambtenaar. Niet kan worden vastgesteld dat de verdachte in zijn proces-verbaal een valse verklaring heeft afgelegd.

Procesgang

  1. Rechtbank Rotterdam · 4 juli 2024

    ECLI:NL:RBROT:2024:6879
  2. Gerechtshof Den Haag · 14 oktober 2026deze uitspraak

    ECLI:NL:GHDHA:2026:3061

Uitspraak

Rolnummer: 22-002494-24

Parketnummer: 10-268540-21

Datum uitspraak: 14 oktober 2026

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 4 juli 2024 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2000,

adres: [woonadres] , [woonplaats] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het onder 2 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 1 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van

1 maand voorwaardelijk met een proeftijd van 1 jaar. Voorts is de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in de vordering.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

De verdachte is door de rechtbank Rotterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 2 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is namens de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien, overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal, niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.

Niettegenstaande de door de advocaat van de benadeelde partij op de terechtzitting in hoger beroep gegeven toelichting is het hof van oordeel dat de vordering van de benadeelde partij louter betrekking heeft op het onder 2 tenlastegelegde. Nu de verdachte in eerste aanleg van dit feit is vrijgesproken is de vordering van de benadeelde partij thans niet in hoger beroep aan de orde.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 26 maart 2021 tot en met 7 juli 2021, althans op 29 maart 2021 te Rotterdam in een geval waarin een wettelijk voorschrift een verklaring onder ede vorderde en/of daaraan rechtsgevolgen verbond, te weten in een ambtsedig proces-verbaal d.d. 29 maart 2021, schriftelijk persoonlijk opzettelijk een valse verklaring onder ede heeft afgelegd, te weten: "Ik zag dat het mondkapje van de jongen onder zijn neus zat. Ik vroeg aan de jongen: "Zou je je mondkapje willen opzetten." Ik zag dat de jongen hem een paar keer op deed. Nadat de jongen zei "Ga weg" zag ik dat het mondkapje afbleef. Ik vroeg aan de jongen: "Zou je je mondkapje op willen zetten." Ik zag dat de jongen wilde weglopen. Ik zag namelijk dat de verdachte zich omdraaide en richting de trap liep richting de corridor. En wederom zag ik dat de verdachte zijn mondkapje niet op de juiste wijze droeg namelijk onder zijn neus in plaats van boven zijn neus", terwijl voornoemde verklaring werd afgelegd in de strafzaak met parketnummer 10-116099-21 tegen en ten nadele van [naam jongen hierna de jongen] , die in voornoemde strafzaak verdachte was.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte zal worden vrijgesproken van het onder 1 tenlastegelegde.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vrijspraak

Uit het dossier volgt dat de verdachte zich op 26 maart 2021 als controleur openbaar vervoer, in dienst van de RET, tevens buitengewoon opsporingsambtenaar, op het metrostation Beurs te Rotterdam bevond en [de jongen] staande heeft gehouden wegens het niet op de juiste wijze dragen van een mondkapje. Van het verloop van de gebeurtenissen heeft de verdachte een ambtsedig proces-verbaal van aanhouding opgemaakt.

De vraag die door het hof dient te worden beantwoord, is of de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan meineed door in voornoemd proces-verbaal de tenlastegelegde valse verklaring onder ede af te leggen.

Het hof beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt daartoe het volgende.

De verdachte heeft zowel bij de politie als op de terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep consistent verklaard dat op enig moment sprake is geweest van het niet op de juiste wijze dragen van een mondkapje door [de jongen] , doordat deze tegen hem bleef praten en het mondkapje steeds onder zijn neus zakte. Niet vastgesteld kan worden of deze door de verdachte gedane en in zijn ambtsedig proces-verbaal geverbaliseerde bevinding in strijd met de waarheid is. De zich in het dossier bevindende en door het hof in het kader van de voorbereiding van de zaak bekeken camerabeelden laten immers niet een volledige weergave van de gebeurtenissen zien, nu [de jongen] gedurende een aantal seconden uit beeld raakt door een ter plaatse staande pilaar/kaartautomaat. Hierdoor valt niet uit te sluiten dat [de jongen] gedurende die tijd zijn mondkapje niet op de juiste wijze heeft gedragen. Deze gang van zaken vindt bovendien bevestiging in de verklaring van (mede)verdachte verbalisant [naam verbalisant] die tijdens zijn verhoor bij de politie bij het zien van de camerabeelden heeft verklaard: “Op het moment dat de verdachte (lees: [de jongen] ) wegloopt zie ik niet op de camerabeelden wat de stand is van het mondkapje van verdachte. Dat komt omdat wij achter een kaartautomaat verdwijnen. Dat is het moment dat ik zag dat het mondkapje van de verdachte onder zijn neus zat.”.

Daar komt bij dat uit het ambtsedig proces-verbaal van aanhouding niet eenduidig volgt op welk(e) moment(en) de verdachte zag dat het mondkapje van [de jongen] onder zijn neus zat en dat hij dit niet op de juiste wijze droeg. In elk geval heeft de verdachte niet nadrukkelijk geverbaliseerd dat dit heeft plaatsgevonden gedurende het filmen van de verdachte door [de jongen] , hetgeen wel in strijd met de waarheid zou zijn geweest aangezien uit de camerabeelden blijkt dat [de jongen] op dat moment zijn mondkapje wel op de juiste wijze droeg. Het hof komt dan ook tot de conclusie dat niet kan worden vastgesteld dat de verdachte in zijn ambtsedig opgemaakte proces-verbaal een valse verklaring onder ede heeft afgelegd, laat staan dat de verdachte (voorwaardelijk) opzet had op het afleggen van een valse verklaring.

Het hof acht dan ook – met de advocaat-generaal en de verdediging – niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 is tenlastegelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 2 tenlastegelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Dit arrest is gewezen door mr. V. Mul, als voorzitter, mr. K. Versteeg en mr. E.A. Poppe-Gielesen, leden, in bijzijn van de griffier mr. M. Bazuin.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 14 oktober 2026.

Mr. E.A. Poppe-Gielesen is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.