Strafrecht overig

Opiumwet. De verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan het bereiden, bewerken, verwerken…

Gerechtshof Den Haag, 14 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 14 oktober 2026 heeft het Gerechtshof Den Haag in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Zittingsplaats
Den Haag
Datum uitspraak
14 oktober 2026
Datum publicatie
14 oktober 2026
Zaaknummer
22-002685-24
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHDHA:2026:3048
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Opiumwet. De verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan het bereiden, bewerken, verwerken en opzettelijk aanwezig hebben van 50 liter van een materiaal bevattende morfine en meer dan 150 kilogram van een materiaal bevattende heroïne. Bevestiging vonnis van de rechtbank met aanvulling van overwegingen in verband met in hoger beroep gevoerde verweren.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren en 10 maanden.

Uitspraak

Rolnummer: 22-002685-24

Parketnummer: 09-767165-20

Datum uitspraak: 14 oktober 2026

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 24 juli 2024 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981,

adres: [woonadres] , [woonplaats] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren, met aftrek van voorarrest. Voorts is beslist omtrent het beslag als nader omschreven in het vonnis waarvan beroep en heeft de rechtbank het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte opgeheven.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg van 10 juli 2024 - tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 7 januari 2020 te Rijswijk en/of in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, althans alleen, opzettelijk heeft bereid, bewerkt, verwerkt, afgeleverd, verstrekt, vervoerd, vervaardigd en/of opzettelijk aanwezig heeft gehad

- 15,5 kilo heroïne, en/of

- 1,68 kilo heroïne, en/of

- 140 kilo heroïne, en/of

- 50 liter morfine, en/of

een (grote) hoeveelheid/hoeveelheden van een materiaal bevattende heroïne en/of morfine, zijnde heroïne en/of morfine, een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd, behoudens ten aanzien van de opgelegde straf en dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren en 10 maanden, met aftrek van voorarrest en met opheffing van het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat omtrent het beslag zal worden beslist conform het vonnis waarvan beroep.

Het vonnis waarvan beroep

De behandeling van de zaak in hoger beroep heeft het hof niet gebracht tot andere beschouwingen en beslissingen dan die van de rechter in eerste aanleg, behalve ten aanzien van de opgelegde gevangenisstraf en de motivering daarvan.

In dit opzicht zal het hof het vonnis waarvan beroep vernietigen. Voor het overige verenigt het hof zich met de gronden en beslissingen in het vonnis, met dien verstande dat het hof daarin – mede gelet op de in hoger beroep gevoerde verweren – de hierna te vermelden aanvullingen aanbrengt.

Aanvullingen

- Het hof vult het vonnis waarvan beroep aan in die zin dat op pagina 10 onder het kopje ‘ [naam getuige 1] ’ de volgende overweging wordt toegevoegd:

Anders dan de raadsman acht het hof de in het proces-verbaal van bevindingen van 8 januari 2020 weergegeven verklaring van [naam getuige 2] niet tegenstrijdig met de verklaring van [naam getuige 1] van 2 december 2021 afgelegd ten overstaan van de rechter-commissaris. [naam getuige 2] heeft verklaard dat één van de rolluiken open ging en hij zag dat er vier mannen in de geopende ruimte aan het afspuiten waren met water (hierna: de wasplaats). Dat [naam getuige 1] slechts over twee personen, te weten hijzelf en de verdachte, heeft verklaard maakt nog niet dat de vier mannen, waarover door [naam getuige 2] is verklaard, niet (ook) aanwezig waren in het pand. [naam getuige 1] heeft immers niet verklaard dat er naast hemzelf en de verdachte geen andere personen aanwezig waren. Daar komt bij dat het pressen van heroïne, waarover [naam getuige 1] verklaart, en het afspuiten van de wasplaats, waarover [naam getuige 2] verklaart, in de naast elkaar gelegen loodsen – ieder met een eigen roldeur – kan hebben plaatsgevonden. Het hof is dan ook van oordeel dat de verklaring van [naam getuige 1] voor het bewijs kan worden gebezigd.

- Het hof vult het vonnis waarvan beroep aan in die zin dat op pagina 10 na het kopje ‘ [naam getuige 1] ’ de volgende overweging wordt toegevoegd:

[naam getuige 2]

Naar het oordeel van het hof kan de in het proces-verbaal van bevindingen van

8 januari 2020 weergegeven verklaring van [naam getuige 2] voor het bewijs worden gebezigd. Deze verklaring is immers een dag na het aantreffen van de verdovende middelen spontaan ten overstaan van een politieambtenaar afgelegd en vindt steun in de overige zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen. [naam getuige 2] heeft onder meer verklaard ‘ [verdachte] is degene die de bestelbus heeft weggereden van het terrein en heeft deze aan de zijkant weggezet’. Op de door [naam getuige 2] aangegeven locatie is de bus ook aangetroffen. Aan de verklaring van de getuige tijdens zijn verhoor bij de rechter-commissaris op 9 september 2021 ‘dat hij dat nooit verklaard kan hebben omdat hij dat gewoon echt niet heeft gezien’ hecht het hof geen waarde, nu uit dat verhoor eveneens blijkt dat de getuige bang was om te verklaren vanwege tegen hem geuite bedreigingen in deze zaak.

Het vonnis waarvan beroep dient derhalve - behoudens voor zover het wordt vernietigd - onder aanvulling van gronden te worden bevestigd.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan het bereiden, bewerken, verwerken en opzettelijk aanwezig hebben van 50 liter van een materiaal bevattende morfine en meer dan 150 kilogram van een materiaal bevattende heroïne. Harddrugs zijn stoffen die bedreigend zijn voor de volksgezondheid. Voor gebruikers kunnen zij schadelijke lichamelijke, psychische en sociale gevolgen met zich meebrengen. Bovendien leidt de handel in en het gebruik van drugs veelal, direct en indirect, tot vele andere vormen van criminaliteit. De verdachte heeft met zijn handelen bijgedragen aan de grootschalige handel in verdovende middelen en het in stand houden van de negatieve effecten daarvan.

Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 15 september 2026, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van Opiumwetdelicten. Zo is de verdachte in 2017 voor een soortgelijk feit veroordeeld, waarbij aan hem een deels voorwaardelijke gevangenisstraf is opgelegd. Die proeftijd liep nog ten tijde van het plegen van het onderhavige feit. Dat heeft de verdachte er kennelijk niet van weerhouden weer een dergelijk feit te plegen.

Gelet op de aard en ernst van het bewezenverklaarde feit kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Bij het bepalen van de duur van de gevangenisstraf heeft het hof acht geslagen op de Landelijke Oriëntatiepunten voor Straftoemeting en de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd.

Het hof heeft geconstateerd dat de behandeling van de zaak in eerste aanleg en in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM.

De redelijke termijn is aangevangen met de inverzekeringstelling van de verdachte op

31 maart 2021. De rechtbank heeft op 24 juli 2024 in de onderhavige zaak vonnis gewezen. Hieraan verbindt het hof de conclusie dat de behandeling van de zaak in eerste aanleg niet heeft plaatsgevonden binnen de daartoe gestelde termijn van twee jaren, maar dat er sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn met ongeveer een jaar en vier maanden. De rechtbank heeft deze overschrijding in de opgelegde straf verdisconteerd door in plaats van een gevangenisstraf voor de duur van vier en een half jaar een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren op te leggen. Het hof acht in beginsel, met inachtneming van de genoemde overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vier jaren een passende en geboden reactie en sluit zich op dit punt bij de rechtbank aan.

Op 24 juli 2024 is namens de verdachte hoger beroep tegen het vonnis ingesteld. De stukken van het geding zijn eerst op 16 juli 2025 bij de griffie van dit hof binnengekomen, derhalve niet binnen de daartoe gestelde termijn van acht maanden. De inzendtermijn is met ongeveer vier maanden overschreden. Nu het hof op 14 oktober 2026 arrest wijst, is de redelijke termijn voor de behandeling in hoger beroep eveneens overschreden. Deze overschrijding bedraagt ongeveer twee en een halve maand. Het hof heeft ook de gehele duur van de procedure in ogenschouw genomen.

Het hof zal de geconstateerde overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep eveneens verdisconteren in de op te leggen straf. In plaats van de in beginsel passend en geboden geachte onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vier jaren zal het hof een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie jaren en tien maanden, met aftrek van voorarrest, opleggen, zoals ook door de advocaat-generaal is gevorderd.

Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en de artikelen 47, 55 en 63 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde gevangenisstraf en de motivering daarvan en doet in zoverre opnieuw recht.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) jaren en 10 (tien) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.

Dit arrest is gewezen door mr. E.A. Poppe-Gielesen, als voorzitter, mr. V. Mul en mr. K. Versteeg, leden, in bijzijn van de griffier mr. M. Bazuin.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 14 oktober 2026.

Mr. E.A. Poppe-Gielesen is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.