Strafrecht overig
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling in een uitgaansgelegenheid. Veroordeelt de…
Gerechtshof Den Haag, 15 oktober 2026
ECLI:NL:GHDHA:2026:3044 · Gerechtshof Den Haag · 15 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-den-haag/strafrecht/strafrecht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-ghdha-2026-3044
Zaakgegevens
Op 15 oktober 2026 heeft het Gerechtshof Den Haag in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Gerechtshof Den HaagGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Datum uitspraak
- 15 oktober 2026
- Datum publicatie
- 14 oktober 2026
- Zaaknummer
- 22-003933-24
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHDHA:2026:3044
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling in een uitgaansgelegenheid.
Veroordeelt de verdachte tot een geldboete. Bepaalt dat de geldboete niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Beroep op noodweer(exces) en eveneens het beroep op putatief noodweer(exces) verworpen.
Uitspraak
Rolnummer: 22-003933-24
Parketnummer: 09-195014-24
Datum uitspraak: 15 oktober 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 20 november 2024 in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1999,
adres: [woonadres] , [woonplaats] .
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het tenlastegelegde veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 750,00, subsidiair 15 dagen hechtenis, te betalen in zes maandelijkse termijnen van elk € 100,00 en één maandelijkse termijn van € 150,00.
Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 15 juni 2024 te Delft [het slachtoffer] heeft mishandeld door met een of meerdere vuistslagen in het gezicht althans tegen het hoofd te slaan.
Vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd, met uitzondering van de straf, en dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 500,00, subsidiair 10 dagen hechtenis, te betalen in vijf maandelijkse termijnen van elk € 100,00.
Het vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.
Beroep op noodweer
Namens de verdachte is een beroep op noodweer gedaan. Door de raadsman is uitdrukkelijk bepleit dat bij de beoordeling van de gestelde noodweersituatie niet slechts gekeken moet worden naar hetgeen zich heeft afgespeeld in de tijdsduur waarvan camerabeelden in het dossier voorhanden zijn of waarover de politie in een proces-verbaal van bevindingen heeft gerapporteerd, maar dat ook daarvóór én daarna sprake was van vijandigheden in de richting van de verdachte. De raadsman heeft gesteld dat het geheel van vijandigheden in de richting van de verdachte maakt dat deze zich niet veilig voelde en zich daardoor bedreigd voelde. Dat dit onveilige en bedreigde gevoel terecht was, ziet de raadsman bevestigd in de wijze waarop de verdachte na de door hem gegeven vuistslag zelf in elkaar is geslagen.
Beoordeling van het noodweer verweer
Wettelijke omschrijving
Art. 41 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) luidt:
"Niet strafbaar is hij die een feit begaat, geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding."
Het hof stelt voorop dat hieruit volgt dat voor een geslaagd beroep op noodweer is vereist dat de gedragingen van de verdachte – in dit geval het geven van een vuistslag – werden geboden door de noodzakelijke verdediging tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding. Van een ‘ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding’ is ook sprake bij een onmiddellijk dreigend gevaar voor zo’n aanranding.
Bij een dergelijk beroep moet de rechter allereerst de feitelijke grondslag van dat beroep onderzoeken, vervolgens beoordelen of aan de voorwaarden voor de aanvaarding van het verweer is voldaan en tenslotte een gemotiveerde beslissing geven op dat verweer.
Bij het onderzoek naar de feitelijke grondslag van het beroep kan betekenis toekomen aan de inhoud en indringendheid van de door of namens de verdachte aangevoerde argumenten (HR 29 maart 2022, ECLI:NL:HR:2022:417, rov. 2.3.2).
Het hof stelt voorop dat de aan het verweer ten grondslag gelegde beschrijving van de vijandige situatie uitsluitend berust op door de verdachte afgelegde verklaringen. Noch uit de in het dossier aanwezige camerabeelden, noch elders in het dossier is gebleken van vijandigheden in de richting van de verdachte. De verdachte verklaarde tijdens zijn verhoor bij de politie dat hij hard in zijn rug geduwd werd en dat hij daarop om ruimte te maken iemand één of twee tikken tegen het achterhoofd heeft gegeven. Hij zegt daarbij dat hij zich benauwd voelde en zag dat er veel mensen om hem heen stonden.
Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft de verdachte verklaard dat hij het gezellig had tot het einde, ondanks dat hij -kort samengevat- in een studentencafé was dat niet echt iets voor hem was. Met betrekking tot vijandigheden geeft de verdachte aan dat de aangever hem de hele avond al aan het irriteren was door tegen hem aan te duwen.
Het hof komt op grond van het bovenstaande tot het oordeel dat het aan het noodweerverweer ten grondslag gelegde scenario dat er gedurende de hele avond, althans in ieder geval gedurende een langere periode dan waarop de camerabeelden zien, sprake was van vijandigheden vanuit een grote groep mensen, geen steun vindt in aan wettige bewijsmiddelen ontleende feiten en omstandigheden. Het hof acht de feitelijke toedracht die de verdediging aan het verweer ten grondslag heeft gelegd niet aannemelijk geworden, ook niet tegen de achtergrond van de door de verdachte zelf afgelegde verklaringen. Op de beelden is te zien dat de verdachte in een druk café bijna ten val komt, kennelijk door de duw in zijn rug waarover de verdachte heeft verklaard. Dat de verdachte hiervan schrikt en aanvankelijk misschien denkt dat dit opzettelijk gebeurt, is nog invoelbaar. Maar als de verdachte zijn evenwicht heeft hersteld en zijn glas wegzet, kennelijk om verhaal te gaan halen bij de persoon waarvan de verdachte denkt dat hij hem heeft geduwd, blijkt uit niets dat er opzet in het spel is bij die persoon, en lijkt het eerder te passen bij een vol café waar dit soort dingen nu eenmaal (per ongeluk) kunnen gebeuren. Zo geeft de verdachte de persoon die hij ziet als degene die hem opzettelijk de duw in zijn rug heeft gegeven, twee tikken met de vlakke hand tegen zijn hoofd. In plaats van de confrontatie op te zoeken, heft deze persoon zijn beide handen vertwijfeld in de lucht en doet niets terug. Dit past niet bij de gestelde vijandigheden jegens de verdachte.
En zelfs al zou er sprake zijn geweest van vijandigheden, zoals door de verdediging gesteld, is er niet gebleken van een situatie waarin de verdachte zich moest verdedigen tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding, anders dan dat sprake was van een enkele duw tegen het lichaam van de verdachte door de aangever, als reactie op het feit dat de verdachte de hiervoor al genoemde (derde) persoon twee tikken op het hoofd had gegeven. Het blijft ook bij die enkele duw.
Dat er kort daarna wel vrij fors geweld op de verdachte is toegepast, kan niet los worden gezien van het hiervoor beschreven gedrag dat de verdachte zelf heeft vertoond. Dat wil niet zeggen dat het geweld dat vervolgens op de verdachte is uitgeoefend terecht was, maar dit geweld kan daardoor niet worden gezien als het bewijs dat er ook voordat de verdachte de tikken tegen het hoofd en de vuistslag uitdeelde al sprake was van vijandigheden in de richting van de verdachte.
Het hof verwerpt het beroep op noodweer.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op of omstreeks 15 juni 2024 te Delft [het slachtoffer] heeft mishandeld door hem met een of meerdere vuistslagen in het gezicht althans tegen het hoofd te slaan.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewijsvoering
Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
mishandeling.
Strafbaarheid van de verdachte
Namens de verdachte is ook een beroep op noodweerexces gedaan. Mocht het hof dit beroep niet aanvaarden, heeft de verdediging gesteld dat op z’n minst sprake is van putatief noodweer.
Noodweerexces
Van noodweerexces in de zin van art. 41 lid 2 Sr is sprake bij een ‘overschrijding van de grenzen van de noodzakelijke verdediging’ indien deze overschrijding het onmiddellijk gevolg is van een hevige gemoedsbeweging, door de aanranding veroorzaakt.
Gelet op het oordeel van het hof dat er geen sprake is van een situatie van ogenblikkelijke aanranding waartegen de verdachte zich moest verdedigen, moet het beroep op noodweerexces om die reden reeds worden verworpen.
Putatief noodweer
Voor een geslaagd beroep op putatief noodweer is vereist dat er aan de zijde van de verdachte sprake was van een verontschuldigbare dwaling ten aanzien van het bestaan van een noodweersituatie. Met andere woorden: kon én mocht de verdachte in redelijkheid menen dat hij zich moest verdedigen op de wijze zoals hij heeft gedaan omdat hij verontschuldigbaar zich het dreigende gevaar heeft ingebeeld (HR 22 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:456, rov. 3.7.2)?
Het hof overweegt daaromtrent dat van eerdere vijandelijkheden tussen de verdachte en meerdere andere personen in de club niet is gebleken, zoals hiervoor reeds is overwogen. Door de verdachte zélf wordt slechts gesproken over meerdere mensen om hem heen, hetgeen het hof niet uitzonderlijk voorkomt voor een studentencafé tijdens een uitgaansavond, alsmede over één persoon die hem de hele avond al zou irriteren.
Op de beelden is te zien dat, nadat de verdachte een derde twee klappen van achter tegen het hoofd geeft, de aangever ‘tussenbeiden’ komt en de verdachte wegduwt. Het hof kan slechts deze ene gedraging door deze ene persoon, de aangever, vaststellen.
Het hof is van oordeel dat deze omstandigheden niet de door de verdediging gestelde vrees rechtvaardigen dat de aangever hem, verdachte, zou aanvallen en daarom geen verontschuldigbare dwaling opleveren ten aanzien van een (dreigend gevaar voor) een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding. Het beroep op putatief noodweer(exces) wordt dan ook eveneens verworpen.
Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
Strafmotivering
Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling. Met zijn handelen heeft de verdachte een inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. De mishandeling vond plaats in een uitgaansgelegenheid waar veel omstanders aanwezig waren.
Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 15 september 2026, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten, maar nooit eerder voor geweldsdelicten. De verdachte heeft zelf ook aangegeven dat hij normaal gesproken ook helemaal geen geweld toepast, wat door zijn documentatie lijkt te worden bevestigd. Ook na dit feit is de verdachte niet meer met justitie in aanraking gekomen voor geweldsdelicten.
Het hof heeft kennisgenomen van het reclasseringsadvies d.d. 19 augustus 2024.
Het hof houdt bij het bepalen van de op te leggen straf verder rekening met het feit dat de verdachte na het geven van de vuistslag zelf behoorlijk mishandeld is. Weliswaar heeft hij dat tot op zekere hoogte over zichzelf afgeroepen, maar daarmee was dat nog niet gerechtvaardigd. Het hof houdt hiermee in het voordeel van de verdachte rekening. Gelet op het feit dat de verdachte doorgaans geen vechtersbaas lijkt te zijn, vindt het hof het vooral van belang dat de verdachte er in de toekomst van wordt weerhouden om toch opnieuw geweld toe te passen. Om die reden vindt het hof een voorwaardelijke straf op zijn plaats als stok achter de deur.
Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een geheel voorwaardelijke geldboete van na te melden hoogte een passende en geboden reactie vormt.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24c, 63 en 300 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 750,00 (zevenhonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 7 (zeven) dagen hechtenis.
Bepaalt dat de geldboete niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Dit arrest is gewezen door mr. J.A.M. Jansen, als voorzitter, mr. J.P.L.M. Remmerswaal en mr. E.J. Spaans, leden, in bijzijn van de griffier mr. L. Knoop.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 15 oktober 2026.