Strafrecht overig

Medeplegen oplichting van woningbouwvereniging door directeur-bestuurder, art. art. 326.1 Sr. Bewijsklachten…

Hoge Raad, 6 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 6 oktober 2026 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
6 oktober 2026
Datum publicatie
1 oktober 2026
Zaaknummer
24/02228
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2026:1594
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Medeplegen oplichting van woningbouwvereniging door directeur-bestuurder, art. art. 326.1 Sr. Bewijsklachten oplichting, valse hoedanigheid en medeplegen.

HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 24/02204, 24/02229 en 24/02230. Vervolg op HR:2022:108.

Procesgang

  1. Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 5 juni 2024

    ECLI:NL:GHSHE:2024:1891
  2. Conclusie A-G · 15 september 2026

    ECLI:NL:PHR:2026:808
  3. Hoge Raad · 6 oktober 2026deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2026:1594

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 24/02228

Datum 6 oktober 2026

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 5 juni 2024, nummer 20-000220-22, in de strafzaak

tegen

[verdachte],

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1948,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat mr. R.B. Milo bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.

De advocaat-generaal P.T.C. van Kampen heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

Namens de verdachte heeft de advocaat S.P.H. Brinkman daarop schriftelijk gereageerd.

2 Beoordeling van de cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van twaalf maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;

- vermindert deze in die zin dat deze elf maanden en drie weken, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren beloopt;

- verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de raadsheer A.L.J. van Strien als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P.J. Lugtenburg, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 6 oktober 2026.