Strafrecht overig

Vervolg op ECLI:NL:HR:2014:1442. HR: art. 81.1 RO.

Hoge Raad, 26 augustus 2014

Zaakgegevens

Op 26 augustus 2014 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
26 augustus 2014
Datum publicatie
26 augustus 2014
Zaaknummer
14/00045
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2014:2480
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Vervolg op ECLI:NL:HR:2014:1442. HR: art. 81.1 RO.

Procesgang

  1. Conclusie A-G · 1 juli 2014

    ECLI:NL:PHR:2014:1519
  2. Hoge Raad · 26 augustus 2014deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2014:2480

    Conclusie gevolgd

Uitspraak

26 augustus 2014

Strafkamer

nr. S 14/00045 U

ES

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 13 december 2013, nummer RK 13/4999, op verzoeken van de Republiek Turkije tot uitlevering van:

[de opgeëiste persoon] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973.

1 Geding in cassatie

1.1.

Het beroep is ingesteld door de opgeëiste persoon. Namens deze heeft T.M.D. Buruma, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld.

1.2.

De Hoge Raad heeft bij arrest van 17 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1442, geoordeeld dat het eerste, het tweede en het vierde middel niet tot cassatie kunnen leiden en dat de Advocaat-Generaal in de gelegenheid behoort te worden gesteld zich uit te laten over de overige middelen.


1.3. De Advocaat-Generaal T.N.B.M. Spronken heeft bij aanvullende conclusie geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

1.4.

De raadsvrouwe heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2 Beoordeling van de overige middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en V. van den Brink, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 augustus 2014.