Strafrecht overig

Art. 51 Sv. E-mailbericht verzonden naar verkeerde instantie aan te merken als stelbrief? HR: art. 81.1 RO…

Hoge Raad, 14 juni 2016

Zaakgegevens

Op 14 juni 2016 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
14 juni 2016
Datum publicatie
14 juni 2016
Zaaknummer
15/02026
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2016:1178
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Art. 51 Sv. E-mailbericht verzonden naar verkeerde instantie aan te merken als stelbrief? HR: art. 81.1 RO. CAG gaat in op de vraag naar de ontvankelijkheid van het cassatieberoep. Verschoonbare termijnoverschrijding na mededeling onjuiste uitspraakdatum door griffie Hof aan raadsvrouwe.

Procesgang

  1. Uitspraak · 2015

    ECLI:NL:GHDHA:2015:1162
  2. Conclusie A-G · 5 april 2016

    ECLI:NL:PHR:2016:480
  3. Hoge Raad · 14 juni 2016deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2016:1178

    Conclusie gevolgd · Bekrachtiging/bevestiging

Uitspraak

14 juni 2016

Strafkamer

nr. S 15/02026

AKA

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 27 maart 2015, nummer 22/004658-14, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2 Beoordeling van het middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 juni 2016.