Strafrecht overig
Art. 416.2 Sv (dubbel verstek) na veroordeling t.z.v. rijden na vordering tot overgifte rijbewijs…
ECLI:NL:PHR:2018:491 · Parket bij de Hoge Raad · 27 maart 2018
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/parket-bij-de-hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/ecli-nl-phr-2018-491
Zaakgegevens
Op 27 maart 2018 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Parket bij de Hoge RaadParket bij de Hoge RaadHet onafhankelijke parket van de procureur-generaal en de advocaten-generaal, die de Hoge Raad adviseren in conclusies.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 27 maart 2018
- Datum publicatie
- 23 mei 2018
- Zaaknummer
- 16/04704
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2018:491
Samenvatting
Art. 416.2 Sv (dubbel verstek) na veroordeling t.z.v. rijden na vordering tot overgifte rijbewijs, overtreding art. 9.7 WVW 1994. Aan cassatieschriftuur gehechte stelbrief van raadsman gericht aan ander Hof niet bij stukken, art. 51 (oud) Sv, thans art. 48 Sv. Doorzendplicht wanneer raadsman stelbrief naar verkeerde instantie heeft gestuurd? Middel berust op opvatting dat een door een rechtsgeleerd raadsman (abusievelijk) aan strafgriffie van ander gerecht (Hof Arnhem-Leeuwarden te Arnhem) dan gerecht waar de zaak van verdachte in h.b. dient (Hof Den Haag), verzonden stelbrief a.b.i. art. 39 (oud) Sv, door ontvangende strafgriffie moet worden doorgezonden naar strafgriffie van het juiste gerecht, zodat ervan dient te worden uitgegaan dat mr. A zich met zijn brief gericht aan sector strafrecht van Hof Arnhem-Leeuwarden te Arnhem, op juiste wijze als raadsman heeft gesteld. Die opvatting vindt echter geen steun in het recht.
Procesgang
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 27 maart 2018deze uitspraak
ECLI:NL:PHR:2018:491
Hoge Raad · 22 mei 2018
ECLI:NL:HR:2018:752
Conclusie
|
Nr. 16/04704 Zitting: 27 maart 2018 (bij vervroeging) |
Mr. P.C. Vegter Conclusie inzake: [verdachte] |
-
De verdachte is bij arrest van 10 juni 2016 door het hof Den Haag niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep.
-
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. H. Raza, advocaat te Rotterdam, heeft een middel van cassatie voorgesteld.
-
Het middel klaagt over schending van - naar ik begrijp - art. 51 oud Sv omdat de raadsman niet onverwijld een afschrift van de processtukken is toegezonden.
4. Aan de cassatieschriftuur is een afschrift gehecht van een faxbericht met bijbehorend transactierapport van 6 januari 2016 van mr. K. Durdu, advocaat te Rotterdam, aan de strafgriffie van het hof Arnhem-Leeuwarden. Dit bericht houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:
"Betreft: [verdachte] / OM - hoger beroep
Onze ref.: NO/16.01/010
Uw ref.: 96/112042-15
Geachte heer, mevrouw,
Hierbij wens ik mij te stellen als raadsman van [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1986 te [geboorteplaats].
Ik moge u hierdoor vriendelijk verzoeken de processtukken zo spoedig mogelijk aan mij te doen toekomen.
Vertrouwende u hiermede naar behoren te hebben geïnformeerd en in afwachting van uw spoedige berichten.”
5. Uit het transactierapport kan worden afgeleid dat het bericht op “06/jan/2016” om “14:28” is verstuurd naar het faxnummer “00883610089”, zijnde het faxnummer van de strafgriffie van het hof Arnhem-Leeuwarden. Dit biedt voldoende grond voor het ernstig vermoeden dat de stelbrief ter griffie van het hof Arnhem-Leeuwarden is ontvangen.
6. Gelet op het toen geldende artikel 39 Sv diende de raadsman zijn stelbrief aan de griffier van het behandelend gerecht te richten. Nu de zaak aanhangig was bij het hof Den Haag heeft de raadsman zijn stelbrief naar het verkeerde hof gestuurd. Volgens de steller van het middel heeft dit echter niet tot gevolg dat hij zich niet heeft gesteld. Voor gerechtshoven zou namelijk een doorzendplicht gelden wanneer een stelbrief naar het verkeerde hof is toegestuurd.
7. Bij het op de juiste wijze instellen van een rechtsmiddel wordt de verdachte geholpen, maar de raadsman niet. Vanwege zijn rol als professionele rechtsbijstandverlener mag immers worden verwacht dat een advocaat voor het instellen van een rechtsmiddel de juiste administratieve weg weet te bewandelen. Niet valt in te zien waarom dit voor het versturen van een stelbrief anders zou zijn.
8. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende overweging.
9. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
10. Deze conclusie strekt tot verwerping van het ingestelde cassatieberoep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG