Strafrecht overig

Doodslag en verbergen lijk echtgenote te Baarle-Nassau en/of Baarle-Hertog “Grensmoord”. HR: art. 81.1 RO.

Hoge Raad, 5 juli 2016

Zaakgegevens

Op 5 juli 2016 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
5 juli 2016
Datum publicatie
5 juli 2016
Zaaknummer
15/03614
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2016:1398
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Doodslag en verbergen lijk echtgenote te Baarle-Nassau en/of Baarle-Hertog “Grensmoord”. HR: art. 81.1 RO.

Procesgang

  1. Rechtbank Zeeland-West-Brabant · 9 augustus 2013

    ECLI:NL:RBZWB:2013:5858
  2. Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 14 juli 2015

    ECLI:NL:GHSHE:2015:2625

    (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan

  3. Conclusie A-G · 14 juni 2016

    ECLI:NL:PHR:2016:588
  4. Hoge Raad · 5 juli 2016deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2016:1398

    Conclusie gevolgd · Bekrachtiging/bevestiging

Uitspraak

5 juli 2016

Strafkamer

nr. S 15/03614

ES

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 14 juli 2015, nummer 20/002625-13, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal F.W. Bleichrodt heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2 Beoordeling van de middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 5 juli 2016.