Strafrecht overig

Voorbereidingshandelingen, art. 10a.1 onder 3 Opiumwet. Opzettelijk verstrekken en vervoeren van cocaïne…

Hoge Raad, 5 april 2016

Zaakgegevens

Op 5 april 2016 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
5 april 2016
Datum publicatie
1 augustus 2016
Zaaknummer
14/06338
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2016:1871
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Voorbereidingshandelingen, art. 10a.1 onder 3 Opiumwet. Opzettelijk verstrekken en vervoeren van cocaïne voorbereiden door het maken van een telefonische afspraak en het voorhanden hebben van 400 gram cocaïne. HR: art. 81.1 RO.

Procesgang

  1. Uitspraak · 2014

    ECLI:NL:GHAMS:2014:5173
  2. Conclusie A-G · 9 februari 2016

    ECLI:NL:PHR:2016:408
  3. Hoge Raad · 5 april 2016deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2016:1871

    Conclusie gevolgd · Bekrachtiging/bevestiging

Uitspraak

5 april 2016

Strafkamer

nr. S 14/06338

NA/ES

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 9 december 2014, nummer 23/004937-13, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973.

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft A.R.A.R. Sitaldin, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De raadsman heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2. Beoordeling van het middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 5 april 2016.