Strafrecht overig

Profijtontneming. Marktplaatsoplichting. Schatting w.v.v. HR: art. 81.1 RO.

Hoge Raad, 12 april 2016

Zaakgegevens

Op 12 april 2016 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
12 april 2016
Datum publicatie
12 april 2016
Zaaknummer
14/00686
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2016:619
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Profijtontneming. Marktplaatsoplichting. Schatting w.v.v. HR: art. 81.1 RO.

Procesgang

  1. Rechtbank Maastricht · 11 mei 2011

    ECLI:NL:RBMAA:2011:BQ4797
  2. Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 23 januari 2014

    ECLI:NL:GHSHE:2014:121

    (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan

  3. Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 23 januari 2014

    ECLI:NL:GHSHE:2014:122
  4. Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 23 januari 2014

    ECLI:NL:GHSHE:2014:123

    (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan

  5. Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 23 januari 2014

    ECLI:NL:GHSHE:2014:124
  6. Conclusie A-G · 16 februari 2016

    ECLI:NL:PHR:2016:209
  7. Hoge Raad · 12 april 2016

    ECLI:NL:HR:2016:618

    Bekrachtiging/bevestiging

  8. Hoge Raad · 12 april 2016deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2016:619

    Conclusie gevolgd · Bekrachtiging/bevestiging

  9. Hoge Raad · 12 april 2016

    ECLI:NL:HR:2016:620

    Bekrachtiging/bevestiging

  10. Hoge Raad · 12 april 2016

    ECLI:NL:HR:2016:621

    Bekrachtiging/bevestiging

Uitspraak

12 april 2016

Strafkamer

nr. S 14/00686 P

KD/EC

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 23 januari 2014, nummer 20/002256-11, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste van:

[betrokkene] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft E.E.W.J. Maessen, advocaat te Maastricht, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal F.W. Bleichrodt heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2 Beoordeling van het eerste middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3 Beoordeling van het tweede middel

3.1.

Het middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.

3.2.

Het middel is gegrond. Voorts doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Tot cassatie behoeft dit echter niet te leiden. Ook in de met deze ontnemingszaak samenhangende strafzaak, welke in cassatie aanhangig is onder nr. 14/00684, is de redelijke termijn in de cassatiefase overschreden. De compensatie tot welke de overschrijding van de redelijke termijn moet leiden, zal worden toegepast in de hoofdzaak.

3.3.

Gelet hierop is er geen aanleiding om in de onderhavige zaak aan het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden enig rechtsgevolg te verbinden en zal de Hoge Raad met dat oordeel volstaan.

4 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 april 2016.