Strafrecht overig

Poging moord, art. 289 Sr. Falende bewijsklacht over voorbedachte raad. Verdachte is met een vuurwapen met…

Hoge Raad, 24 mei 2016

Zaakgegevens

Op 24 mei 2016 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
24 mei 2016
Datum publicatie
24 mei 2016
Zaaknummer
15/04242
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2016:959
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Poging moord, art. 289 Sr. Falende bewijsklacht over voorbedachte raad. Verdachte is met een vuurwapen met munitie naar het bedrijf gegaan waar so. werkzaam was. Verdachte heeft daar naar so. gevraagd en toen deze zich bekend maakte, heeft verdachte meteen het vuurwapen gepakt en drie keer op so. geschoten, terwijl de schoten direct op elkaar volgden. HR: art. 81.1 RO.

Procesgang

  1. Conclusie A-G · 29 maart 2016

    ECLI:NL:PHR:2016:392
  2. Hoge Raad · 24 mei 2016deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2016:959

    Conclusie gevolgd

Uitspraak

24 mei 2016

Strafkamer

nr. S 15/04242

BKL

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 23 juni 2015, nummer 21/000115-15, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft B.P. de Boer, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal W.H. Vellinga heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2 Beoordeling van het middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en Y. Buruma, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 mei 2016.