Strafrecht overig

Schuldheling kledingstukken en schoenen aangetroffen in echtelijke woning en afkomstig uit een mede door haar…

Hoge Raad, 19 december 2017

Zaakgegevens

Op 19 december 2017 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
19 december 2017
Datum publicatie
10 januari 2018
Zaaknummer
15/05057
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2017:3271
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Schuldheling kledingstukken en schoenen aangetroffen in echtelijke woning en afkomstig uit een mede door haar echtgenoot gepleegde inbraak in tennisshop, art. 417bis.1.a Sr. Had verdachte redelijkerwijs moeten vermoeden dat het door misdrijf verkregen goederen betrof? HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 16/01282.

Procesgang

  1. Conclusie A-G · 28 november 2017

    ECLI:NL:PHR:2017:1459
  2. Hoge Raad · 19 december 2017deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2017:3271

    Conclusie gevolgd

Uitspraak

19 december 2017

Strafkamer

nr. S 15/05057

KD/CeH

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 7 oktober 2015, nummer 20/000847-14, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1967.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft R.J. Baumgardt, advocaat te Rotterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2 Beoordeling van het eerste middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3 Beoordeling van het tweede middel

3.1.

Het middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.

3.2.

Het middel is gegrond. Voorts doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Gelet op de aan de verdachte opgelegde taakstraf van 30 uren, subsidiair 15 dagen hechtenis, en de mate waarin de redelijke termijn is overschreden, is er geen aanleiding om aan het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden enig rechtsgevolg te verbinden en zal de Hoge Raad met dat oordeel volstaan.

4 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-presidentW.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en A.L.J. van Strien, in bijzijn van de waarnemend griffier A.C. ten Klooster, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 december 2017.